Column 'Gastarbeid' door Jaap Matthijs Jansen

HAREN

Deze week kunt u de column 'Gastarbeid' van Jaap-Matthijs lezen.

Dat in Haren een nieuwe bevolkingsgroep is neergestreken, kan u moeilijk zijn ontgaan. Zij zijn, zo zult u ongetwijfeld beamen, anders dan wij. Op verscheidene terreinen verschilt hun cultuur sterk van de onze, en de vraag rijst of wij ooit met elkander zullen assimileren. Ten eerste: zij spreken onze taal niet, noch verstaan zij Hoogduits, Frans of enige andere beschaafde taal. Ook kennen zij onze vorm van schrift niet. Analfabetisme vormt een schrijnend probleem in deze gemeenschap. Ten tweede zijn zij onbekend met onze keuken; zij drinken geen alcohol en zij eten bijvoorbeeld geen varkens- of koeienvlees. Ten slotte lijken zij zich niet te bekommeren om het welzijn van de Hareners. Over hun uiterlijk voorkomen en hun raciale afkomst mogen wij hier niet spreken. Een klein lichtpuntje voor de katholieken onder ons, doch een forse steen des aanstoots voor de lidmaten der hervormde kerk: de genoemde nieuwkomers zijn rooms. Voor elke passant is dit evident. Er zijn er die driemaal daags het Ave Maria blaten, en als hun pastoor ten tonele verschijnt, dan laten zij zich dirigeren als makke papen. Wellicht kan het katholieke smaldeel van de bevolking dus nog enige sympathie voor deze nieuwelingen opbrengen, maar in ’t algemeen hebben deze allochtonen een slechte, ja haast beestachtige reputatie. Ter nuancering laten wij daarom een dezer ‘beesten’ aan het woord (in vertaling): ‘Ons kwalijke imago ontbeert elke grond! Wij zijn juist zeer betrokken bij het wel en wee der autochtone bevolking.Gemeentelijke herindeling, mislukte stunt van het Maartenscollege? Ook voor ons zijn dat hoofdpijndossiers. Maar wij laten ons niet klein krijgen!Wij zullen de komende tijd als gastarbeiders het gras van de lokale perken maaien. Door ons op die manier, gespeend van elk uitzicht op een geldelijke beloning, tóch in te zetten voor het plaatselijk gerief, krijgen wij hopelijk zicht op een verblijfsvergunning.’ De ooi glimlacht.‘Desavonds, als de kleintjes onder de wol liggen, fluisteren wij wel eens: misschien volgend jaar een lintje?’

Auteur

kvanderweide