De Gieselgeer

HAREN

Deze week de column van Jaap Matthijs Jansen genaamd 'De Gieselgeer'.

Nu moet ik u een naargeestige tijding brengen. Zij lijkt veel op een voorval dat reeds door K. ter Laan in de eerste helft der vorige eeuw is opgetekend; maar het heeft in deze contreien altijd al gespookt. Het betreft een leraar, Kornelis, die rond zes uur ’s avonds terugwandelde van het schooltje te Onnen naar zijn huis te Harenermolen. Hij liep juist over de Gieselgeer, toen het plots angstaanjagend rommelde in het zwerk. Hij versnelde zijn tred, maar het mocht niet baten: nog voordat hij de spoorbrug had bereikt, brak de hemel open. Met lichte paniek klemde hij zijn aktetas tegen zijn borst – straks zouden de opstellen nog nat worden.De regen deed zijn kleding aan zijn knokige lijf plakken, zijn bril afzakken en zijn schoeisel klotsen, al zwaarder en zwaarder. Maar wattrof nu zijn blikveld! Midden op de spoorbrug stond een wit veulen, met helwitte ogen en een kwijlende bek. Bij elke bliksemflits – o gruwel! – lichtten zijn hoeven en tanden op.Wat moest de arme Kornelis nu doen? Zou hij het monster rechts passeren, dan wachtte hem allicht een schop, maar links was ook geen optie: dan zou hij gewis gebeten worden… Er restte dus slechts één mogelijkheid: hij zou óp het dier moeten springen, en er dan aan de andere kant weer vanaf moeten glijden. Bevend voegde hij de daad bij het woord en sprong op het veulen. Vervaarlijk steigerde het dier, en zette het toen op een lopen – met die angstige en drijfnatte leraar op zijn rug! Wild was de weg, die het veulen en zijn onwillige passagier aflegden. Door Onnen, Felland en Haren snelde het dier, en niets of niemand kon het tegenhouden, burgemeester noch veldwachter noch avondvierdaagse noch rioolwerkzaamheden. Uiteindelijk rende het veulen naar de ruige landen in het noordoosten, en daar, in een gebied met de onheilspellende naam ‘Rakken’, zijn het monster en de onderwijzer voorgoed verdwenen. Wees dus beducht voor wolkbreuken! Hoed u voor witte veulens! En mijd de Gieselgeer! Jaap Matthijs Jansen  

Auteur

kvanderweide