Roest

HAREN

Deze week de column 'Roest', door Jaap Matthijs Jansen.

Water sijpelt uit de lucht. Een kleine meneer kijkt naar buiten. Het is weer die ene dag van de week; de buren hebben zich al van hun plicht gekweten. Het meneertje slikt, verslikt zich en staat twee minuten te hoesten. Dan zet hij zijn pet op, trekt zijn jas aan en loopt naar de voordeur. Hem wacht een taak. Mensen worden roestig van de regen: langzaam trekken ze krom, alsof ze zoeken naar het afvoerputje dat al die regen naar de onderkant van de aarde moet brengen. Steunend op zijn stok loopt de oude man naar zijn groene vuilcontainer en trekt het ding over de oprit mee naar de stoeprand. De buren hebben malle gele stickers op hun containers geplakt. Na gedane zaken nestelt de kleine meneer zich in zijn luie stoel. Hij kijkt naar het herfstlandschap achter de ruit. Zijn vuilcontainer wordt niet geleegd, die van de buren wél. Hij ziet het gebeuren, of beter: niet gebeuren, maar de vuilniswagen is al uit het zicht voordat de meneer zijn jas heeft kunnen aantrekken. Slikkend en hoestend loopt hij naar zijn schrijftafel. Een woest epistel krast hij neer, een envelop is gauw gevonden en met herwonnen levenskracht beent hij naar buiten, zijn knieën knarsend van de roest. De brievenbus was toch om de hoek, aan de Jachtlaan? De kleine meneer ziet niet zo goed, en hij moet driemaal de straat doorknarsen voordat hij met een slik en een hoest constateert dat de brievenbus verdwenen is. Water sijpelt uit de lucht. De burgemeester komt voorbij en licht zijn hoed. De brievenbus is in het centrum, zegt hij. ‘Maar wist u,’ zo vervolgt de magistraat met trots, ‘dat de Jachtlaan een fietsstraat wordt?’ En om de wereld te laten zien dat hij besturen kan, duwt hij zijn borst vooruit en heft hij zijn glunderende kop in de kille najaarswind. De kleine meneer slikt, verslikt zich en staat twee minuten te hoesten. Dan licht hij zijn pet en zoekt, knarsend van de roest, de weg terug naar huis. Jaap Matthijs Jansen

Auteur

kvanderweide