Haren lééft! | Arnold Heikamp

Haren

Het bos in

Er scharrelde een man door het Scharlakenbos. Hij schoof van boom naar boom, zonder zich al te veel van de bestaande padenstructuur aan te trekken. Geregeld stond hij even stil. Dan tuurde hij met een scheef hoofd naar de bosbodem, als een op insecten jagend reptiel. Het was een al wat oudere man met een witte ring dun haar rond zijn schedel en een groene jas om zijn magere en licht gebogen gestalte. Tussen duim en wijsvinger van zijn linkerhand stak een eikenblad. In dit soort situaties heb ik altijd een onbedwingbare drang mij met de gang van zaken te bemoeien. Daarom naderde ik de man en vroeg: 'Bent u op zoek naar een nieuwe locatie voor de brandweerkazerne?’ De man keek op. ‘Ik had u al wel gezien hoor,’ zei hij. 'Een nadeel van de winter,’ zei ik. Maar de man had zijn aandacht alweer bij andere zaken. Hij bukte zich moeizaam en raapte een eikenblad op. Hij vergeleek het met het exemplaar in zijn linkerhand. Liet het nieuwe blad vervolgens weer naar de grond dwarrelen. ‘Niet goed?’ informeerde ik. ‘Nee,’ zei de man. ‘Ze zijn nooit goed.’ Hij zag mijn vragende blik. ‘Ik zoek een blad dat geheel identiek is aan dit exemplaar.’ Hij bewoog zijn linkerhand een eindje omhoog. ‘En dat valt niet mee.’ Ik dacht niet: hé, wat gek. Ik dacht niet: moet ik iemand bellen? Ik zei alleen maar: ‘Juist.’ 'Maar u vroeg mij iets,’ zei de man. 'De brandweerkazerne,’ wist ik nog. 'O, dat!’ riep de man. ‘Dat is politiek! Het domein van de kwaakeenden. De ratelende kletsmolens. De winderige wijsneuzen.’ De man had er voor doorgeleerd, zoveel was wel duidelijk. En hij ging nog even door. 'Het zijn bijna allemaal op drift geraakte klepperende kletsmeiers. Blind en doof voor argumenten. Ze graven zich in in hun standpuntenloopgraaf, en daar blijven ze eeuwig zitten. Alsof het anders zonde is van al dat gegraaf.’ 'Doelt u op de herindelingsproblematiek?’ zei ik. Voorzichtig, want je kon nooit weten. De man raapte weer een blad op. Bekeek het achteloos en gooide het weer weg. 'Ja, die paljassen óók,’ verzuchtte hij. ‘Als je je eenmaal hebt ingegraven, probeer dan maar eens de toekomst tegemoet te treden. Zo denk ik er over.’ 'Gaat u toch stemmen, de 15de?’ vroeg ik. ‘Natuurlijk!’ zei de man ferm. ‘Ik hoop alleen maar dat wij als Haren zijnde ons niet hoeven te schamen voor de uitslag.’

Auteur

kvanderweide