Moeder & meer | Annelies Hofmann

Haren

Ode aan Tom

In mijn eerste colum voor deze krant schreef ik over de geneugten van het leven in een dorp; Haren in het bijzonder. Een kleine twee weken geleden heb ik opnieuw ervaren hoe fijn het is om in een kleine gemeenschap te wonen, onder de rook van een stad, waar mensen elkaar weten te vinden. “Mrrrrraaaaauuuuwww”, ging het zodra wij ’s ochtends de woonkamer binnenliepen. Niet één keer, maar gemiddeld 30 keer per uur. Tommie; onze demente rode ‘jeweetwel’ kater van 19 lentes jong. Het ging door merg en been en ik kan u verzekeren: naast het lawaai dat een dreumes, een kleuter en een jongen van 7 produceren wilde het ons nog wel eens een klein beetje teveel worden. Dan kwam het wel eens voor dat we hem in een onbewaakt ogenblik een reis naar de eeuwige jachtvelden toewensten. Alleen was de kat springlevend en kon hij nog prima een paar jaar mee, aldus de dierenarts. Dus verbeten wij ons en leegden we weer een zakje kattenvoer in z’n bakje. Alles voor 5 minuten stilte terwijl wij onze koffie dronken. Tommie. Ooit was je mijn beste vriendje. Ik ken je langer dan dat ik mijn geliefde ken, toen ik nog kinderloos en kroegentochtend door het leven ging. Ik herinner me nog dat ik je ophaalde uit het dierenasiel, toen ik voor het eerst op mezelf ging wonen. Je miauwde naar me en ik wist dat jij het moest worden. Je was altijd al een maffe kat. Je apporteerde knikkers. Je bracht dode en levende cadeautjes voor me mee. Je viel een keer van drie hoog naar beneden omdat je ergens van schrok en liep zonder kleerscheuren gewoon weer verder. Je hebt manlief geaccepteerd, je gedoogde de drie jongens die geboren werden. Toen we na de geboorte van de eerste ons huis binnenkwamen kwam je naar ons toe gewandeld, rook aan de baby, ging pontificaal in de MaxiCosi zitten, sloeg ons gade en spinde alsof je begreep dat er iets heel bijzonders gebeurd was (als katteneigenaar heb je de neiging je kat allerlei menselijke eigenschappen toe te dichten. Waarschijnlijk vond je de MAxiCosi gewoon lekker warm…). De laatste periode ergerde ik me aan je haar dat overal lag en plakte aan de kleding van mijn kroost. Ik ergerde me aan de stank van de kattenbak die je nodig had toen je ouder werd. Aan het feit dat je me overal achterna liep en steeds een appèl deed op mijn zorg. Als dit kenmerkend is voor de manier waarmee ik omga met ouden van dagen, is het beter dat ik later niet ga mantelzorgen… En toen ineens, op 9 maart, verdween je. Na een dag zoeken kregen we het bericht dat je gevonden was op het station. Je leefde nog… enigszins. De dierenambulance had je naar een dierenarts gebracht, waar ik diezelfde avond afscheid van je nam. De afgelopen 19 jaar flitsten even door me heen. En ik was blij: blij dat ik je nog even kon zien, dankzij zorgzame dorpsbewoners en een Harense Facebookpagina.

Auteur

kvanderweide