Harener Historie | Eppo van Koldam

HAREN

In de rubriek Harener Historie verschijnt om de week een artikel van de hand van Eppo van Koldam. Van Koldam voelt zich betrokken bij de geschiedenis van de gemeente Haren. Deze week het artikel 'Hendrik Nicolaas Laclé'.

Hendrik Nicolaas Laclé

Wat zegt u de naam Hendrik Nicolaas Laclé? Waarschijnlijk niet zoveel. Er is in Haren geen straat naar hem vernoemd. Heeft hij dat verdiend? Ach in het rijtje Van Trojenweg, De Sitterweg, Jorissenweg en Quintusweg had de Lacléweg niet misstaan. Laat ik u uitleggen waarom. Hendrik Nicolaas Laclé is geboren in 1741 te Haarlem. In 1774 vertrekt hij naar Nederlands Indië. Daar weet hij een behoorlijke rijkdom te vergaren. Hij trouwt in 1778 te Batavia met Petronella Greven. Petronella is dan net een jaar weduwe van de uit Groningen afkomstige Jacob Fockens. Zij heeft uit haar eerste huwelijk twee jonge kinderen: Petronella Fockens en Willem Fockens. Uit het huwelijk met Laclé worden te Batavia drie dochters geboren. Twee dochters sterven echter al kort na de geboorte. Petronella Greven overlijdt in 1786 te Batavia. Laclé blijft als weduwnaar achter met de zorg voor twee jonge meisjes: stiefdochter Petronella Fockens en dochter Maria Elisabeth Laclé. Willem Fockens is in 1783 op zes-jarige leeftijd al terug gezonden naar Groningen om daar onderwijs te volgen. Hij woont in Groningen bij zijn halfoom Jan Tijdo Fockens aan de Kijk in ’t Jatstraat. In 1789 besluit Laclé terug te keren naar Nederland. Zijn eigen dochter gaat mee. Petronella Fockens blijft in Batavia en zal daar in 1814 overlijden. Op 23 mei 1790 komt Laclé na een zeereis van een half jaar aan op de rede van Texel. Hij reist dan door naar Groningen. Jarenlang is dat voor velen een vreemde zaak geweest. Wat had Laclé nu te zoeken in Groningen? Het antwoord ligt in de relatie met de familie Fockens. Laclé voelt zich verantwoordelijk voor zijn stiefzoon Willem Fockens. Voorts heeft hij vanuit Indië al een goede relatie opgebouwd met de andere leden van de familie. Met name met de genoemde Jan Tijdo, die in Groningen raadsheer is. In Groningen woont Laclé aan de Grote Markt en in 1791 koopt hij Huize Voorveld (nu Rijksstraatweg 361 te Harenermolen) met de bijbehorende landerijen en boerderijen. Zo krijgt Laclé binding met Haren. Eveneens in 1791 hertrouwt Laclé met Ida Alijda Haack. Met Ida krijgt hij geen kinderen. Toch leidt zijn huwelijk met Ida tot de komst van een behoorlijke kinderschare naar Haren/Groningen. Ida’s broer Pieter en zijn vrouw overlijden namelijk op jonge leeftijd en daardoor krijgen Laclé en Ida de verantwoordelijkheid voor hun vijf kinderen. Politiek is Laclé de eerste jaren in Groningen niet actief. Waarschijnlijk komt hij er als buitenstaander ook niet erg aan te pas. Dat verandert in februari 1795 als door de inval van het Franse leger een grote omwenteling tot stand komt. De oranje-gezinde bestuurselite wordt in één klap ter zijde geschoven. Na twee eeuwen komt er een einde aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. In plaats daarvan wordt de Bataafsche Republiek uitgeroepen. Laclé wordt aangewezen om als vertegenwoordiger van het Gorecht mee te praten over de bestuurlijke opzet van het gewest Groningen. Twee door de Fransen gesteunde cq afgedwongen staatsgrepen in 1798 maken dat praten echter overbodig. De oude bestuursstructuren worden met onmiddellijke ingang afgeschaft. De Bataafsche Republiek wordt omgevormd tot een eenheidsstaat naar Frans voorbeeld. Er komt een departementaal bestuur voor Stad en Lande. Laclé en ook Jan Tijdo Fockens maken deel uit van dat bestuur. Dit duurt tot maart 1799. Dan wordt het departementaal bestuur al weer opgeheven. Er wordt een nieuw departement gevormd: het departement van de Eems. Dit departement bestaat uit Groningen, een groot deel van Friesland en Noord-Drenthe. Hoofdplaats wordt Leeuwarden. Vanuit Den Haag wordt een commissaris benoemd om toe te zien op de goede gang van zaken. Je zou kunnen zeggen een voorloper van de huidige Commissaris van de Koning. In juli 1799 wordt Laclé in deze functie benoemd. Praktisch betekent dit voor hem, dat hij veel in Leeuwarden moet verblijven. In juni 1802 komt ook aan het departement van de Eems al weer een einde. Geleidelijk keert dan ook de oude bestuurselite weer terug op het pluche. Laclé blijft bestuurlijk actief, maar treedt wat minder op de voorgrond. Op landelijk niveau heeft hij wel goede connecties. Door zijn eerste huwelijk is hij een aangetrouwde oom van Dirk van Hogendorp, die in 1807 minister van oorlog is. Na de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 wordt Laclé maire (burgemeester) van Haren. Die functie zal hij tot zijn overlijden in 1816 vervullen. In 1814 behoort Laclé tot degenen, die in de Nieuwe Kerk te Amsterdam de eerste grondwet van Nederland mogen goedkeuren (mede opgesteld door Dirks broer Gijsbert Karel van Hogendorp). Van een breuk in de bestuurlijke functies na het vertrek van de Fransen in 1813 is dus geen sprake. Wel wordt de titel ‘maire’ na 1813 gewijzigd in ‘schout’. Ida Alijda Haack overlijdt in 1803 op Huize Voorveld. In 1808 trouwt Laclé voor de derde keer. Zijn nieuwe vrouw is Rebecca Wilhelmina Abresch. Dochter van Petrus Abresch, hoogleraar theologie te Groningen, en weduwe van de predikant Zeno Bachiene. In 1810 (Laclé is dan bijna 70 jaar!) wordt uit dit huwelijk op Huize Voorveld een zoon geboren: Hendrik Nicolaas. Maria Elisabeth Laclé, de te Batavia geboren dochter van Laclé, huwt in 1801 met Carel Willem Haack, een neefje en pleegzoon van Ida Alijda Haack. De nalatenschap van Laclé wordt in 1816 verdeeld over drie erfgenamen. Maria Elisabeth verkrijgt Huize Voorveld, maar moet daarvoor wel stevig toe betalen aan Hendrik Nicolaas jr en Rebecca Wilhelmina Abresch. Als schout van de gemeente Haren wordt Laclé opgevolgd door Jacobus van Trojen. Naar hem en zijn drie opvolgers zijn de straten in de ‘burgemeestersbuurt’ vernoemd. Laclé is daarbij buiten beeld gebleven.

Auteur

kvanderweide