Harener Historie - Boeren, burgers en buitenlui

HAREN

In de rubriek Harener Historie verschijnt om de week een artikel van de hand van Eppo van Koldam. Van Koldam voelt zich betrokken bij de geschiedenis van de gemeente Haren. Deze week het artikel 'Boeren, burgers en buitenlui.

“ En zo boeren, burgers en buitenlui, heb ik geschetst, wat u niet ziet Of niet wilt zien, maar dan is ’t te laat, want beter uitleggen kan ik ’t niet We leven alleen maar om te leven en niet in ’n maatschappij Die verzuipt in z’n gemaakte eigen kennis, en als u’m voelt, wees dan maar blij.” Een tekst van de in 2015 overleden Brabantse protestzanger Armand, die in 1967 landelijk bekend werd door zijn hit “Ben ik te min”. “Boeren, burgers en buitenlui” is het landelijk thema van de op 9 september a.s. te houden Open Monumentendag. Het was van oorsprong de uitroep, waarmee de stadsomroeper de aandacht van het publiek trok. Met de drie begrippen had hij iedereen benoemd. De burgers waren de bewoners van de burcht oftewel de stad. Onder de boeren werd iedereen verstaan, die buiten de stad een vaste woonplaats had, en de buitenlui waren de rondtrekkende mensen zonder vaste woonplaats. Anders dan Armand benadrukt de organisatie van de Open Monumentendag nu juist de onderlinge samenhang tussen de drie groepen mensen. Ze leven dus niet alleen maar om te leven, maar ook in een maatschappij. “Boeren, burgers en buitenlui” is een thema, dat op veel verschillende manieren kan worden ingevuld. In Haren heeft de Historische Kring Old Go voor de invulling gezorgd. Ik verwijs daarvoor naar de aparte publicaties. Overigens krijgt u het zaterdag 9 september a.s druk, want in het dorp is dan ook de jaarlijkse Kunst & Cultuurmarkt. Zonder een stand van het Historisch Platform Haren, want de mensen van Old Go en het Bezoekerscentrum Yesse kunnen maar op één plaats tegelijk zijn en richten zich deze keer op de Open Monumentendag. Wel is er aan de Rijksstraatweg naast Intermezzo een informatiestand. Als burgers in de stad wonen, hebben we in Haren historisch gezien alleen maar te maken met boeren en buitenlui. Dat even afgezien van de burgers uit de stad Groningen, die in Haren een buitenhuis hadden, zoals de Emdaborg, Huize Voorveld, de Hof te Hemmen en het Huis te Glimmen. Nu waren ook niet alle inwoners van de gemeente Haren boeren in de letterlijke zin van het woord. Behalve boeren waren er ook boerenarbeiders. Voorts was er in de dorpen sprake van enige middenstand: schoenmakers, kleermakers, bakkers, kruideniers, smeden, timmerlieden, kuipers en herbergiers. Geen slagers en groenteboeren. In Haren was een cichoreifabriek met een molen en in Harenermolen een korenmolen. De cichoreifabriek groeide na 1835 uit tot de huidige molen De Hoop. De molen uit Harenermolen werd omstreeks 1820 naar Haren verplaatst, maar in 1886 weer afgebroken. Mensen met een vaste woonplaats laten sporen na in de vorm van gebouwen: kerken, huizen, molens, boerderijen, etc. Een aantal van die gebouwen zijn bewaard gebleven. Dat zijn de monumenten waar op de Open Monumentendag de aandacht naar uit gaat. Maar wat moeten we met de buitenlui? Wie zijn dat en hebben ze ook sporen nagelaten? Soms kom je ze tegen in de archieven. Zo zijn Pieter Hansen en Henrich Stapel uit Praag in 1817 actief in Noordlaren. Helaas wel als inbrekers bij landbouwer Roelf Hoiting. In 1831 wordt door de gemeente f.152,- uitgegeven aan bijstand voor personen zonder vaste domicilie. Dat is 10% van de totalen kosten voor armenzorg in dat jaar. Buitenlui zijn er dus wel geweest. Een bijzondere groep buitenlui zal gevormd zijn door de zigeuners. Heel vroeger werden deze mensen aangeduid als Egyptenaren. In Engeland is gipsy nog steeds de gangbare aanduiding voor een zigeuner. Soms wordt de naam Egypte verbonden aan een plaats waar vaak zigeuners verbleven. Ik ben een dergelijke benaming in onze gemeente een keer tegen gekomen voor een perceel aan de Zuiderstraat in Noordlaren. Op zich een geschikte locatie voor het verblijf van zigeuners. Later werden de zigeuners aangeduid als Hongaren. Toen was er inmiddels ook niet veel ruimte meer voor hun leefwijze en kwamen ze in een slecht daglicht te staan. Wat moeten we aan met de seizoenarbeiders en de migranten. Zijn dat buitenlui? Een beetje misschien en tijdelijk. Bekend waren in onze regio de hannekenmaaiers, die vanuit Westfalen en Lingen hier vanaf 24 juni (= Sint Johannes) kwamen werken als boerenarbeiders. Toen zij in de gaten kregen, dat er ook wel mogelijkheden waren om koopwaar (vooral linnengoed) van huis mee te nemen en hier te verkopen, ontstonden de kiepkerels. Duitse marskramers met een mand vol koopwaar op de rug. Uiteindelijk hebben veel van deze kiepkerels zich blijvend in Nederland gevestigd. De schatting is, dat dit er tussen 1815 en 1850 ongeveer 140.000 zijn geweest. Ook in Haren zien we, dat van de ruim 400 gezinshoofden in 1830 er 20 geboren zijn in Duitsland. En dat bijna allemaal in Wesfalen, Bentheim en Lingen. De instroom vanuit die regio is veel groter geweest dan de instroom vanuit de Groninger Ommelanden of Friesland. Dat heeft vooral te maken met het welvaartsniveau. Mensen, die het goed hebben, trekken niet snel weg. Voor Friesland moeten we dan wel een uitzondering maken voor de verveners die rond 1750 naar Haren kwamen.

Auteur

kvanderweide