Zoete woordjes | Jaap Matthijs Jansen

Haren

De zomerzoon

Er was eens een zomerzoon, die naar school toe moest. Hij wilde graag, want hij had een goede opvoeding gehad. Rekenen zou hij leren, en de geschiedenis van de wereld, en de moraal van het verhaal. Hij lachte om de warmte en men vond verkoeling in zijn klaterlach. Maar u weet: soms, dan kriekt en gloort het niet. De rozevingerige dageraad blijft dan slapen, en de regen fluistert een memento mori. Zo ook op die ene rampzalige morgen. Wél werd het licht, maar alles was grijs, en nymfen en saters weken voor alleman en alledag. De zomerzoon kon niet zomaar naar buiten. Hij zou niet meer de zomer zijn; zand en mediterrane dagdromen zouden van hem afspoelen. Maar hij móést naar school, want hij was goed opgevoed. En daarom trok hij een behekst kledingstuk aan, dat geen water doorliet. Zou hij op school zijn, dan zouden zijn junibroek en julihemd droog zijn, en dan zou hij lachen, en dan zou iedereen verkoeling zoeken in zijn klaterlach. Het werkte, aanvankelijk. In zijn eigen straat was niemand te zien, en in de volgende straat negeerden de weinige passanten hem. Dat was pijnlijk, maar zijn zomer bleef ongedeerd. Toen hij bij school aankwam, zocht hij een beschut plekje om het kledingstuk uit te trekken. Maar dat plekje liet zich niet vinden. En de regen goot en zong zijn treurlied, dat zij (de regen is een vrouw) in een middeleeuw gevonden had en niet licht vergeten kon. De betovering van het kledingstuk wijfelde, en de naden begonnen water door te laten. De jongen raakte in paniek: zijn zomer moest droog blijven, straks zou men hem zien als méns, als een natte, bibberende mens! Hij liep met zijn fiets naar de andere kant van het gebouw en zocht een plekje, maar overal waren mensen en met elke drup verloor hij zijn warmte en zwoelte en glimlach. Hij werd koud en wanhopig. Met een laatste spoortje moed vroeg hij twee oudere voorbijgangers om hulp, maar toen hij zich voorstelde als de zoon van de zomer, hij, een rillende, doorweekte en blauw uitgeslagen schim, lachten de oudjes zo hard, dat hun parapluutje op en neer ging. De jongen sprong op zijn fiets. Soms, als de dag vergeet te krieken en de regen ons de les leert, dan kunt u hem zien fietsen. Wees dan mild en laat hem. Onder jongeren is dit verhaal gemeengoed, en zelden ziet u een scholier met een dergelijk kledingstuk. Want de dorpsjeugd is goed opgevoed: liever doorweekt op school dan níét op school. Wie jong is, draagt geen regenpak.

Auteur

kvanderweide