Haren leeft! | Arnold Heikamp

Haren

Stalbout

Op zondag 10 oktober 1875 zat de twaalfjarige Eppo Koperpoets op het plaatsje achter de smederij van zijn vader aan de Kerklaan in Haren zijn klompen bij te schuren. Moeder Koperpoets had liever niet dat Eppo dergelijke werkzaamheden uitvoerde op zondag, maar vader was een olijke baas die van een grap hield en ook niet zo zwaar tilde aan de zondagsrust. Eppo hield een klomp omhoog om zijn werk te keuren toen hij gerammel van een kar en gesnuif van paarden hoorde. Kwam er bezoek aan? Eppo wachtte rustig af. Daar vloog de deur reeds open en rolde de donderstem van de smit over het plaatsje: ‘Eppo! Kom eens?’ In de smederij stond Ruurd, de knecht van boer Jellema. ‘Ruurd heeft zeer dringend een stalbout nodig, en die heb ik niet. Ga jij als de wiedeweerga een halen bij smit Fongers op de Vischmarkt!’ zei de smit tegen Eppo. ‘Ik?’ vroeg Eppo. ‘Waarom gaat Ruurd niet met de kar?’ ‘Ruurd moet als de drommel terug naar de boerderij. Dus jij gaat. En hard lopen! Er is grote haast bij,’ zei de smit. ‘Maar de Vischmarkt is helemaal in Stad,’ kermde Eppo. ‘Dat is zes kilometer!’ ‘Ruim zelfs!’ knipoogde Ruurd. ‘Hier hier heb je een briefje voor Fongers, en nu wegwezen. Het is bijna twaalf uur, als jij voor half twee niet terug bent zwaait er wat!’ waarschuwde Koperpoets. Even later rende Eppo blootsvoets over de Rijkschstraatweg naar Stad. Halverwege stond een zwartbemantelde vrouw langs de weg. ‘Wat moet dat geren op Zondag?’ snerpte ze. ‘Ik moet naar Stad!’ hijgde Eppo. ‘Wat zijn dit voor tijden? Wat als iederéén op de dag des Heeren maar naar de Stad gaat hollen?’ tierde de vrouw hem na. De weg liep op het eind nog gemeen omhoog, maar uiteindelijk bereikte Eppo vrij eenvoudig de smederij op de Vischmarkt. Het duurde even voordat Fongers de deur opende. Eppo gaf hem de envelop en Fongers las het briefje. Terwijl hij het weer opvouwde liep hij hoofdschuddend naar buiten en keek op de torenklok. ‘Zeg maar tegen je vader dat hij in het vervolg een ander slachtoffer voor zijn grappen moet zoeken,’ bromde hij weer naar binnen lopend. In huize Koperpoets zaten de smit en Ruurd intussen sigaren rokend bij de kachel. ‘Ha ha, een “stalbout”!’ lachte de knecht. ‘Hopelijk speelt Fongers het spel mee,’ vervolgde hij, ‘maar ik geloof nooit dat het binnen drie kwartier kan. Dat bestaat niet. Jij verliest de weddenschap, smit!’ ‘Och,’ antwoordde Koperpoets, ‘dan proberen we het volgend jaar toch weer een keer?

Auteur

kvanderweide