Overnachtingsgedachten Hortustuin

HAREN

Wat waren de gedachten die bovenkwamen bij Marjoleine de Vos, Mieke Moor en Ann Meskens toen zij overnachtten in de Hermitage-silo en leefden in de tuinen van de Hortus. Daarover verhaalden zij afgelopen zondag in het grootste gebouwtje van de Chinese tuin van de Hortus. Menselijke aanwezigheid als onderdeel van de tuinarchitectuur is in Engeland in de achttiende eeuw een tijd in de mode geweest. Men liet kluizenaars – hermits – in tuinen wonen. Zij stonden symbool voor beschouwing, melancholie en het romantische ideaal van de mens die zich terugtrekt uit de maatschappij om tot zichzelf te komen.

Marjoleine de Vos Marjoleine de Vos is NRC-redacteur en -columnist, woont op het Hogeland en neemt natuur en platteland geregeld als uitgangspunt voor haar columns. De Vos begint haar betoog dat veel landschap bedacht is, dat hortensia’s niet uit vrije wil groeien, dat alleen paddenstoelen dat doen. Dat je door gemaaid gras je vrij voelt en de ordening van de tuin rust biedt. Ze verhaalt dat we bij het naar onze hand zetten van de natuur, nederigheid en toegeeflijkheid dienen te tonen en moeten meebewegen. De Hortus is een beschrijving van nieuwsgierigheid en aandacht en concreet: nat blad, modderigheid, rood en paars-rood, geurende naaldbomen, grijze stenen en twee zagende mannen. Ze vindt het mooie ervaring onderdeel te zijn van de wereld van vrijwilligers die soms iets groots, soms iets kleins en onzichtbaars verrichten. Dat bij het werken op twee vierkante meter alles een verschil maakt. Ze sluit af met de constatering dat in chaos geen betekenis is te vinden en dat levensvreugde wordt gevoed door eikeltjesgeur. Mieke Moor Mieke Moor heeft een achtergrond in de zorg, theologie en filosofie, en een grote liefde voor tuinen. Zij onderzoekt de mogelijkheid om (de organisatie) van menselijker te maken, meer open voor het leven zelf, minder verstrikt in systemen die ons gevangen houden. Moor houdt haar betoog in de vorm van een brief aan de Hortus. Ze verhaalt over het werk in een tuin en dat mensen zich niets aantrekken van de wisseling van de seizoenen. En over dat ze zelf werkt in de tuinen en zich afvraagt wanneer is het af? Het werk is niet onschuldig, het is vernietigen maar er ontstaat ook een soort schoonheid. En dat orde vormen van uitsluiting nodig heeft en groeien doet bloeien, wat een dubbelzinnigheid in zich heeft. Ze krijgt plezier van het werken in de tuinen: er is resultaat te zien, al groeit op het deel wat je de vorige dag hebt gedaan alweer onkruid. Ze spreekt vrijwilligers over het werk buiten de Hortus in moderne kantoortuinen waarbij weinig aandacht bestaat voor het werk zelf en de druk om te presteren groot is. De Hortus-vrijwilligers willen niet werken met een contract. Op een stille ochtend komt Moor uit bij de Laarmantuin. Ernst Laarman, hortulanus (iemand die is belast met het technische beheer van een botanische tuin) sinds 1921, breidde het concept van een arboretum (bomenverzameling) uit en formuleerde vervolgens vier doelstellingen. Moor ‘ziet’, door de bomen etc. door mensen te vervangen, de vrijwilligers van de Hortus: 1. De bomen (lees: mensen) worden zo geplant (lees: neergezet) dat zij naar alle kanten kunnen groeien en ongestoord hun volle wasdom kunnen bereiken. 2. Voor zoveel mogelijk soorten kruidachtige planten en sporenplanten (lees: soorten mensen) moeten de leefomstandigheden zo gemaakt worden, dat zij zich kunnen vestigen en in stand houden. 3. Nadat het bodemreliëf (lees: de grondhouding) is aangebracht, zal een deel van de beplanting (lees: de mensen) aan zichzelf worden overgelaten. 4. In sommige delen van de tuin zal geregeld worden ingegrepen in de successie. Het gevolg hiervan is dat de successie in een bepaald ontwikkelingsstadium tot staan wordt gebracht en dan verder in dit stadium wordt. Ann Meskens Ann Meskens is naast filosoof ook opgeleid tot hovenier. Die combinatie leidde de laatste jaren tot medewerking aan diverse projecten waarin tuinen centraal staan. Meskens verbleef samen met illustrator en fotografe Tatiana De Munck, die enkele van haar boeken illustreerde, in de Hortus Hermitage. Meskens vertelt dat het in de periode dat ze in Hermitage bivakkeerde, hard waaide, dat er een boom omviel en nog één en dat op het moment dat de zon zich even liet zien, de wind weer aanstormde. En dat ze op een ochtend – nog in pyjama – spontaan begon te wieden in de kruidentuin en het volle-grond-gevoel kreeg dat ze als stadsmens miste. Door in mooie tuinen te zijn wordt de behoefte aan schoonheid bevredigd en is er kans om te reflecteren. Ze verhaalt dat ze in de Chinese tuin, de meest filosofische tuin, de tijd vergeet. In de Chinese tuin bestaat een knap evenwicht tussen natuur en cultuur, en leer je oefenen in het kijken naar de wereld. De tijd verliezen en deze terugwinnen: dat is plezierig. Dan ziet ze op een ochtend dat een werkman de mooie waterlelies in de vijver omploegt en vraagt waarom hij dat doet. Hij lacht en zegt dat het is om de vijver voor te bereiden en dat de waterlelies volgend jaar weer terugkomen. Meskens sluit haar betoog af door te filosoferen over universele schoonheid en de ontwikkeling van de mens als verzamelaar/jager tot boer/tuinder en welke invloed dit heeft op de moderne mens. Gastenverblijf Allereerst mogen vrijwilligers van de Hortus overnachten in de Hermitage en in april 2018 wordt de Hortus Hermitage geopend voor het publiek. Kees Romijn

Auteur

kvanderweide