Harener Historie | Eppo van Koldam

Haren

Streekplan Groningen – Noord Drenthe 1940

Toen aan het eind van de vorige eeuw de Regiovisie Groningen-Assen 2030 tot stand kwam, waren we lyrisch over deze vorm van samenwerking tussen twee provincies en een aantal gemeenten. Een uniek project, dat gemeentelijke herindeling overbodig zou maken. Inmiddels moeten we vrezen, dat we wat betreft de herindeling een kat in de zak hebben gekocht. Maar was het project werkelijk wel zo uniek? Voor wat betreft de onderlinge harde afspraken zeker. Maar qua inhoud is het aardig ook eens te kijken naar een initiatief, dat zestig jaar eerder aan de orde was: een streekplan voor Groningen – Noord Drenthe. Ook het Streekplan Groningen – Noord Drenthe was een initiatief van de twee provinciebesturen. Voorts deden ongeveer dezelfde gemeenten mee als bij de Regiovisie. En net als bij de Regiovisie werd voor de opstelling van het plan een externe adviseur ingeschakeld. Dit was Ir. J. Beckering Vinckers, woonachtig te Haren aan de Weg voor de Jagerskampen 9. Overigens was de benoeming van Beckering Vinckers niet onomstreden. Hij was lid van de NSB en dat was in 1935 geen aanbeveling. Ook werd getwijfeld aan zijn inhoudelijke deskundigheid. Hij was meer een bouwkundige dan een planoloog. Uiteraard was er ook een begeleidingsgroep onder aanvoering van de twee commissarissen der Koningin. Burgemeester Nauta van Haren maakte deel uit van deze begeleidingsgroep. Een eerste concept van het streekplan kwam begin 1940 klaar. Tot de vaststelling van het plan is het vanwege de oorlogssituatie nooit gekomen. Belangrijke aanleiding voor de opstelling van het streekplan was, dat er buiten de stad Groningen door de voortschrijdende ontginning van natuurgebieden ten behoeve van de landbouw te weinig groene ruimte over zou blijven. Voorts werd die groene ruimte ook aangetast “door de meest stelsellooze verspreide bebouwing in allerlei vormen, van landarbeiderswoningen tot renteniersbehuizingen, zomerhuisjes en consumptie-inrichtingen”. Vooral de lintbebouwing aan de wegen in het buitengebied moest het ontgelden. En deze ontwikkeling zou nog versterkt kunnen worden “als ook hier te lande het bezit van een auto voor de gemiddelde arbeider tot de mogelijkheden gaat behoren”. Mocht er dan niets gebouwd worden buiten de stad? Zeker wel. In de eerste plaats was er de erkenning van de “drang naar het zuiden”. Daar is goedkopere bouwgrond, kun je door de fundering op zand vaak goedkoper bouwen en er zijn goede verbindingen. Voorts vond Beckering Vinckers, dat je in plaatsen als Haren niet alleen moest bouwen in de hoge prijsklassen. Nog steeds een actueel punt in de lokale politiek, al zul je zijn onderbouwing nu in de raadszaal niet snel terug horen. “In een dergelijk plan kunnen ook minder kapitaalkrachtige bevolkingsklassen een vrijstaand huis met eigen erf bewonen, waardoor een arbeidersklasse wordt gekweekt met grooten verantwoordelijkheidsgevoel en een grooten zelfstandigheid, welke minder geneigd is tot onrust en politieke uitspattingen, dan het in huurwoningen levende bezitlooze proletariaat der groote steden”. Voor wat betreft de verkeersverbindingen is het plan van 1940 nog steeds behoorlijk actueel en zijn sommige voorstellen inderdaad gerealiseerd. Zo werd in de stukken gepleit voor een nieuwe autoweg vanaf Vries naar Groningen westelijk van Eelde. We herkennen hierin de contouren van de latere A28. Vooral burgemeester Nauta was groot voorstander van deze nieuwe weg, omdat dan de Rijksstraatweg door Haren niet verbreed behoefde te worden en de langs de weg staande bomen gespaard zouden blijven. Ook werd een route langs de oostkant van Haren richting Groningen aangegeven. In Haren is dat de Kerklaan geworden, maar de doortrekking richting Helperzoom is er nooit van gekomen. De huidige Dr. Ebelsweg maakte deel uit van de zogenaamde tangentiële weg der eerste klasse Waterhuizen, Haren, Paterswolde, Peize, Roden, Leek en Tolbert. In Haren leden de plannen om de weg door te trekken als rondweg naar de Emmalaan, waarbij Sassenhein van de kaart zou worden geveegd, begin jaren 70 van de vorige eeuw schipbreuk. Het tracé is ten westen van de wijk Maarwold nog steeds te zien. Overigens lijkt Beckering Vinckers dit al te hebben voorzien, want hij meldt bij deze weg “zwak punt is de doorvoering door Haren”. Later is nog een aantal keren geprobeerd de weg als zuidtangent tussen Groningen en Haren op de kaart te krijgen, maar dat heeft uiteindelijk tot niet meer tastbaar resultaat geleid dan wat eilandjes in het Paterswoldsemeer en een wal ten zuiden van de Hoornseplas. Alle kaarten worden nu gezet op de zuidelijke ringweg. Bij het plan behoorde een uitvoerige inventarisatie van natuurgebieden. Uiteraard met de intentie, dat die behouden moeten blijven. Voor Haren is dat ook redelijk gelukt. Genoemd werden: de Harener Wildernis, het Scharlakenbos, het Hemrik, het Quintusbos, de Appelbergen en het landgoed De Pol. Speciale aandacht was er voor het Paterswoldsemeer. Beckering Vinckers vond de ontwikkeling van het meer tot een recreatieve voorziening met veel verblijfsrecreatie maar niets en is daar ook duidelijk over. “Het Paterswoldsemeer is reeds geheel aan de watersport en de onweerstaanbare neiging tot het bouwen van zomeroptrekjes ten offer gevallen. Het is een typisch voorbeeld van hoe de mensch vaak het natuurschoon meent te moeten corrigeren”. Om van mijn kant dat negatieve beeld van Beckering Vinckers maar weer een beetje te corrigeren bij dit verhaal een leuke foto van het Paterswoldsemeer.

Auteur

kvanderweide