Zoete woordjes | Jaap Matthijs Jansen

Haren

De laatste Bataaf

Wij spraken Van Haeck Iddinga in zijn studeerkamer, waar hij een immoreel grote massa papier huisvestte. In de boekenkast stonden bundels van foute dichters als Günter Grass en Lucebert. De gastheer was zichtbaar nerveus: hij frunnikte na elke vraag aan zijn neus, zijn bril en zijn manchetten (telkens in deze volgorde). De neus was paars. Nadat wij kalm de reden van onze komst hadden uitgelegd (verplaatsing van dhr. Van Haeck Iddinga naar het modernisatiekamp te Amsterdam), vroegen wij hem zichzelf voor te stellen. Dit deed hij in het Nederlands, een obscuur dialect dat eertijds in deze contreien gesproken werd. Hij beweerde geen Engels of Mandarijn te beheersen. Hij gaf ons zijn volledige naam, en zei met trots de titel ‘baron’ te dragen. (Hij was zogenaamd niet op de hoogte van het Internationale Gelijkheidsprotocol, dat het gebruik van adellijke titelatur ondubbelzinnig verbiedt.) Zijn nationaliteit was ‘Nederlands’ (een verwerpelijke chauvinistische uitspraak), hij was ‘mannelijk’ (irrelevant, zie het Genderprotocol) en hij had lange tijd als ‘rechter’ gewerkt (een archaïsch beroep, reeds lang geleden overbodig geworden door de juridische robotica). Voor ons werd zijn toestand pas écht duidelijk, toen hij meldde onderwijs te hebben genoten aan een ‘gymnasium’ (een eurocentrische onderwijsvorm van weleer, waarin rijkeluiskinderen middels teksten van blanke, mannelijke slavenhouders werden geïndoctrineerd met superioriteitswanen). Zoals gewoonlijk gunden wij Van Haeck Iddinga nog één laatste wandeling door zijn huis, zodat hij van zijn bezittingen afscheid kon nemen. Ontsnappen mocht hij beslist niet, dus wij volgden hem op de voet. In de hal hing een kaart van het ‘Koninkrijk der Nederlanden’, blijkbaar vervaardigd vóór de fusie van de gemeente Nederland met de gemeente Vlaanderen. Aan de slaapkamermuur prijkte een vunzig, vrouwonvriendelijk schilderij van ene Waterhouse (o.i.d.). Een buste boven de trap, voorstellende de ondemocratische, discriminatoire schrijver Joost van den Vondel, is ‘per ongeluk’ door een van mijn collega’s omgestoten. Een komisch schouwspel ontrolde zich toen Van Haeck Iddinga zijn jas aantrok. Uit een van zijn zakken viel namelijk een plaatje van een olifant. Toen wij hem complimenteerde met zijn fotoshoptechnieken (het dier leek net echt), beweerde hij dat hij die foto zélf gemaakt had. Wij legden hem uit dat dat niet kan; olifanten bestaan niet meer. Hierop ging de oude schavuit rechtop staan, hief zijn paarse neus in de lucht en sprak, alsof hij een nobele verzetsdaad pleegde: ‘Olifanten bestaan nog!’ Wij kwamen niet meer bij.

Auteur

kvanderweide