Genieten van stinsen

HAREN

Stinsenplanten (of: stinzenplanten) zijn kleine gewassen, veelal met bolletjes, knolletjes of verdikte wortels. Zij behoren tot de vroegst bloeiende wilde planten in het nieuwe jaar. Vele, maar niet alle soorten stinsenplanten zijn tussen de 16e en 19e eeuw uit verre of minder verre streken ingevoerd en aangeplant. Ze zijn ingeburgerd en worden nu tot de inheemse flora gerekend. Ze bloeien in het voorjaar wanneer de boomkronen nog niet dicht bebladerd zijn. In groepen leveren ze mooie kleurvakken op. Het arboretum in de Hortus Haren herbergt een keur aan stinsenplanten en elke soort heeft een eigen verhaal. Harmke Hingstman leidt de wandeling die achterlangs – via een ongebaand pad – leidt over de rotstuin, door de kruiden- en Laarmantuin, onderwijl legt ze van alles uit en laat de wandelaars ruiken en proeven aan de bladeren van de stinsenplanten.

Stinsenplanten bij en op de rotstuin

Hingstman begint haar verhaal: “Stinsenplanten – die in het Gronings ook wel börgbloumkes worden genoemd – waren oorspronkelijk te vinden op oude buitenplaatsen en op de op de verdedigingsmuren van oude 'stinzen' (landhuizen) in Friesland. Professor Jacob Botke uit Friesland heeft de naam voor het eerst gebruikt. Dit is een lenteklokje met groene puntjes en dit is een oranje Italiaanse aronskelk, die later in mei of juni gaat bloeien en waarin de hommel bij het bevruchten – ‘inbraak met diefstal’ – wordt vastgezet. De holwortel is er in twee kleuren, paars en wit, en verspreidt een zoete geur. De zaden worden verspreid door mieren via het ‘mierenbroodje’. Hier zien we de sneeuwroem – met een wit hartje – en hier de oosterse sterhyacint – helblauw – waarbij de bloemen naar beneden hangen. De sterhyacint heeft een iets breder blad dan de oosterse en deze bloeit meestal als eerste, in februari al. De bosanemoom staat sinds deze week in bloei en dit is de vingerhelmbloem – ook wel ‘vogel op een krukje’ genaamd, want de schutblaadjes lijken op een krukje – die maar een week of drie bloeit. Het klein hoefblad lijkt op een paardenbloem, heeft geschubde bladen en groeit op verstoorde (omgewoelde) grond. Hij bloeit eerst en daarna komt het blad. Het verhaal gaat dat het klein hoefblad is vernoemd ter herinnering aan paarden die zijn verdronken.”

Kruiden- en Laarmantuin

“De moerasaronskelk en goudveil komen in het moerasgedeelte voor. Hier in de kruidentuin zien we herfsttijloos, waarbij het blad als eerste komt en in mei vrij groot wordt. Daarna, in de herfst, komen de bloemen. Herfsttijloos is giftig maar is geneeskrachtig en werkt tegen jicht. Het blad van het wit hoefblad begint in februari al te groeien en daar komen de hommels en bijen als eerste op af. De winterakoniet – ook wel ‘zottekebloemke’ – bloeit rond carnavalstijd, later in het jaar komen de zaaddozen en nog lang ziet de winterakoniet er mooi uit.” Ondertussen komen we langs een grond waar binnenkort een vlinder- en bijentuin wordt aangelegd. “Hier in de Laarmantuin zien we de wilde narcis – ook wel dichternarcis – die niet vaak voorkomt en die zich draait naar de zon. Dit is ook mooi: een heel veld met paarse sneeuwroemen! Hier zien we nog het Japans hoefblad en daslook, dat eetbaar is en je bijvoorbeeld goed voor pesto kunt gebruiken. Ook deze kroosjes zijn eetbaar en hebben een amandelsmaak.”

Uw verslaggever verlaat de Hortus – waar aan de straatkant vorige week als teken van het begin van de lente verse bloemen zijn geplant – met zijn aantekenboek onder de arm, waarin hij later een blad van de eetbare daslook terugvindt.


Auteur

Redacteur