Berichten uit de Biotoop

Aan de rand van het Biotoopterrein staat een langgerekt gebouwtje waarin vroeger dieren werden bestudeerd. Toen wij in De Biotoop kwamen wonen, stond het al jaren leeg en ging ik er weleens met mijn zoons griezelen. Van binnen is het net een gevangenis. Dat komt door de lange gang met metalen deuren waarin op ooghoogte kijkluikjes zijn gemaakt. Inmiddels woont Mareen alweer anderhalf jaar in dat gebouwtje. Ze heeft er een gedeelte aangebouwd met lemen muren en een houten dak. Mareen is een weekend naar familie en biedt ons haar huisje én haar warme kachel aan omdat ze weet dat onze ruimte zo koud is.

Toevallig heb ik ons datzelfde weekend opgegeven voor een open dag in de Van Mesdagkliniek, de zwaarst bewaakte TBS-kliniek van Nederland. Ik fiets geregeld langs deze ‘gevangenis’ en vraag me altijd af hoe het er binnen zal zijn. Van buiten is de kliniek net een middeleeuws fort dat dreigend en donker langs de weg tussen Groningen en Haren staat. Er pal naast bevindt zich het Joods monument ter nagedachtenis voor de Joodse slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Het beeld grenst aan de hekken van de kliniek, waardoor het lijkt alsof het beeld wordt omheind door concentratiekamphekken.

We moeten onze ID-passen laten zien en wachten in een partytent tot we opgeroepen worden. Om de zoveel tijd mag er een groep naar binnen. Ik heb zelfs mijn oorringetjes uitgepeuterd omdat je volgens het protocol geen metaal aan of op je lichaam mag dragen.

Eenmaal binnen zien we eerst een voorlichtingsfilm, daarna worden we losgelaten om een afgebakende route te lopen. Een van de therapeuten zegt: ‘Er is er niet één die hier vastzit die niet als kind verwaarloosd is geweest, er is er niet één die niet in zijn jeugd is mishandeld, er is er niet één die niet is misbruikt. Ze hebben zich machteloos gevoeld tot het moment waarop ze de macht grepen. Dat is helaas vaak gebeurd op een manier die zij zelf maar al te goed kennen.’

We praten met een ex-patiënt, hij staat bij een kraampje met zelf gelaste kikkers en kacheltjes. Hij is vol bewondering over de therapeuten. ‘Ze krijgen zoveel woede over zich heen, terwijl ze ons alleen maar proberen te helpen.’

In het handvaardigheidlokaal bekijk ik een paar gekleide en geglazuurde bloemen. Je kunt zien dat iemand daar zijn best op heeft gedaan, de toewijding raakt me, vooral als je bedenkt wat die handen allemaal nog meer op hun geweten hebben.

We luisteren naar een humanist en een pastoor in de kapel. De humanist zegt: ‘De meesten zijn zwaar beschadigd. Hun daden waren verschrikkelijk, maar het blijven mensen.’

Van binnen is de kliniek net een school, de sfeer lijkt open, maar ook passeer ik net zulke zware metalen deuren als in het huisje van Mareen, met afgesloten kijkluikjes op ooghoogte.

Rondom de pelletkachel staan een paar fauteuils. Mijn man installeert zich met een boek in een van de stoelen. Buiten vriest het, er is geen mens op het Noorderveld. We zetten de kachel iets hoger en verbazen ons over de doodse stilte die alleen af en toe onderbroken wordt door een knagend dier of trippelende pootjes op het dak. Ook ik pak een boek. Om in de sfeer te blijven heb ik “Gevangenis” van François Bon uit onze boekenkast meegenomen. De schrijver werkte als leraar taalbeheersing in de jeugdgevangenis van Bordeaux. Als onderdeel van zijn lessen liet hij de jongemannen verhalen schrijven, die hij heeft verwerkt in het boek. Bon gaf bijvoorbeeld als opdracht om naar aanleiding van het woord “huis” een verhaal te schrijven. Voor de meesten zijn dat de straten en de stad. Eentje vraagt: ‘En als je nou nooit een huis hebt gehad?’

Een wonderschoon verhaaltje van een van de gevangenen gaat over een heremietkreeft, zo ziet hij zichzelf in zijn cel, met ‘poten’ die af en toe door de tralies steken, waarna hij zich weer terugtrekt in zijn ‘huis’. Een ander verhaal gaat over een jongen die is weggelopen van huis en op het slechte pad raakt. Hij wil zijn leven beteren en breekt in in zijn oude school. Hij ‘woont’ er een poos stiekem en volgt er ook weer lessen. Het liefst zou hij daar blijven en zijn opleiding afmaken, maar hij wordt ontmaskerd en vlucht weer.

Opvallend is dat de meeste verhalen gaan over reizen. Zelden is daarin een moment van rust, meestal raken de hoofdpersonen verwikkeld in schimmige zaakjes met mensen die ze amper kennen. Een schrijft dat zijn reizen altijd eindigen in de gevangenis, jammer genoeg is die het enige constante in zijn leven.

Ik denk na over de gevangenen die reizen maken in hun hoofd. Hoe ik met hen meereis terwijl ik vakantie hou in “het gevangenisje” van onze eigen biotoop.