Schrijftips van Sabine - Speciaal voor schrijvers in spe

HAREN

Sabine van den Berg is naast auteur voor Lebowski Publishers sinds 2013 als docent Proza verbonden aan de Schrijversvakschool te Groningen. Bij ons in Haren is ze vooral bekend van haar columns “Berichten uit De Biotoop” die om de week in het Harener Weekblad verschijnen. Sabine is voortaan wekelijks in het Harener Weekblad te vinden. Haar “Berichten uit De Biotoop” zal ze afwisselen met “Schrijftips van Sabine”, een nieuwe rubriek die boekliefhebbers en aspirant schrijvers zeker zal aanspreken.

Geregeld vragen studenten mij wat ik nou eigenlijk zélf lees en waarom? Sinds ik professioneel schrijf – nu toch al ruim twintig jaar – lees ik niet meer onbevangen. Ik kijk altijd hoe een boek is opgebouwd en wat ik van een collega kan leren. Of ik wil vertellen wát ik er dan van leer, is dan meestal de volgende vraag. Daarom, op verzoek van velen: schrijftips aan de hand van literaire voorbeelden.

WAT?: “De vanger in het graan” van J.D. Salinger. Oorspronkelijke titel: “The Catcher in the Rye”.

WAAROM?: Ik volg de serie “Mijlpalen in de literatuur” die mijn collega’s Coen Peppelenbos en Roos Custers van Schrijversvakschool Groningen geven in de Forum Bibliotheek in Groningen. “De vanger in het graan” stond op het programma.

HOE?

Als ik eens lekker recalcitrant in spreektaal zou willen schrijven vanuit een hoofdpersoon die toch sympathiek overkomt dan kan ik dit boek als voorbeeld nemen.

Verteller Holden spreekt de lezer direct aan. De eerste zin begint met: “Als je het echt allemaal wilt horen, dan wil je waarschijnlijk eerst weten waar ik geboren ben en wat een waardeloze jeugd ik heb gehad en wat mijn ouders allemaal gedaan hebben voordat ze mij kregen en meer van dat soort sentimentele gelul, maar eerlijk gezegd heb ik geen zin om het daarover te hebben.”

Holden geeft af op alles en iedereen, zijn toon is sarcastisch. De beschrijvingen van medestudenten, leraren, vriendinnetjes en ouders zijn meedogenloos. Hij vindt de meeste figuren ‘schijnheilige klootzakken’ en ‘nep’, hij typeert de mensen in zijn omgeving door voorvalletjes die je door zijn ogen ziet, waardoor je als lezer begrip voor hem hebt en betrokken raakt. “Ze had zo’n hele harde, gênante stem als je ergens met haar had afgesproken. Ze kon het maken omdat ze zo verdomd knap was, maar ik baalde er altijd ontzettend van.”

Holden heeft een grote opmerkingsgave. De situatie op de highschool is goed beschreven. Door allerlei gedoe tussen kamergenoten merk je hoe de onderlinge verhoudingen liggen. Zo walgt Holden van zijn buurjongen Ackley die hij zeer onsmakelijk beschrijft, maar vraagt hij hem toch mee naar de film, waardoor je Holden aardig vindt.

Het verhaal begint bij de dag dat Holden van school gaat. Een paar dagen voor de kerstvakantie – waarna hij niet meer op school mag terugkeren – besluit hij al te vertrekken. Zijn ouders weten nog niet dat zijn loopbaan alweer is mislukt.

Je krijgt als lezer het gevoel dat de verteller eerlijk is en deep down een gevoelige jongen. Dit komt bijvoorbeeld doordat Holden een opstel moet schrijven voor zijn kamergenoot over een huis. In plaats daarvan beschrijft Holden de honkbalhandschoen van zijn overleden broer Ally waarop Ally gedichten heeft geschreven zodat hij iets te doen had als hij in het veld stond. Zo weet de lezer dat Holden zijn oudere broer heeft verloren en dat vooral zijn moeder het verdriet daarover nooit te boven is gekomen. Maar ook dat de handschoen bijzonder is voor Holden. Over zijn overleden broer vertelt hij vrij achteloos, zonder sentiment. De enige voor wie hij echt wat lijkt te voelen, is zijn zusje Phoebe. Hij wil haar graag bellen, maar stelt dat steeds uit omdat zijn ouders op zouden kunnen nemen.

Het verhaal is geschreven als een monoloog. Holden gebruikt spreektaal en heeft bepaalde uitdrukkingen die hij vaak herhaalt zoals: ‘Ik meen het.’ ‘Ik bleef er zowat in.’ ‘Ongelogen.’ ‘Maar echt.’ Doordat dit consequent is gedaan, voelt het op een gegeven moment als ‘eigen’, alsof je naar iemand luistert (terwijl de stijl mij in het begin wel afschrok). Je kunt je goed voorstellen dat een zestienjarige jongen dit verhaal vertelt. Hij overschreeuwt zichzelf, maar wil ook aardig gevonden worden. Hij koopt bijvoorbeeld onderweg een plaat van een liedje waarvan hij denkt dat zijn zusje het nummer geweldig zal vinden, het lied gaat over een klein meisje dat niet naar buiten durft omdat ze haar voortanden kwijt is. Ook wil Holden een paar nonnen trakteren op een lunch omdat ze er zo sober uitzien en geeft hij ze uiteindelijk geld voor de kerk als ze niet willen lunchen.

“Ik moest de hele tijd aan die twee nonnen denken. Ik dacht steeds aan dat versleten strooien mandje waarmee ze geld ophaalden als ze niet voor de klas stonden.”

Hij overdrijft het hele boek door met aantallen, hij zegt bijvoorbeeld: “Een heleboel scholen hadden al vakantie en er zaten en stonden ongeveer honderdduizend meisjes op hun afspraken te wachten.” Hij haalt films en boeken aan en vertelt het verhaal dan na in zijn eigen woorden, dit doet hij verschillende keren. Een attribuut dat steeds terugkomt is een jachtpet die het hoofdpersoon voor een dollar heeft gekocht. Ook is er een vraag die hem gedurende het hele boek bezighoudt. Holden vraagt zich namelijk af waar de eenden zijn gebleven nu de vijver is dichtgevroren. Hij valt er vooral taxichauffeurs mee lastig. Als Holden dronken is, gedraagt hij zich alsof hij in zijn buik is geschoten. Ook neemt Holden zich telkens voor om iets te doen, bijvoorbeeld een vriendin te bellen, maar vervolgens is hij ‘niet in de stemming’. Omdat deze ingrediënten telkens terugkeren, zorgen die voor binding in het verhaal.

Mooi is dat Holden zich voorstelt dat hij een nieuw leven zal beginnen in een andere omgeving. Hij zal zich voordoen als iemand die doofstom is. Hij voert deze gedachte ver door waardoor de lezer merkt hoe kinderlijk en wanhopig hij eigenlijk is. Dat ontroert.

“Op die manier hoefde ik nooit van die godgeklaagd stomme en zinloze gesprekken te voeren met mensen. Als iemand iets tegen me wilde zeggen zou hij het op een papiertje moeten schrijven en naar me toe schuiven. Dat zou ze na een tijdje mijlenver de keel uit hangen, en dan hoefde ik de rest van mijn leven geen gesprekken meer te voeren. […] Ik kookte voor mezelf en later, als ik wou trouwen ofzo, ontmoette ik een mooi meisje dat ook doofstom was, en daar trouwde ik dan mee. Dan kwam ze bij mij in de blokhut wonen, en als ze iets tegen me wilde zeggen moest ze net zo goed iets op zo’n stom stuk papier schrijven als iedereen.”

De schrijver gebruikt ook vaak opsommingen die de gedachten van Holden typeren. Bijvoorbeeld bij het museum dat Holden beschrijft waar hij als kind vaak met school is geweest en dat zijn zusje ook geregeld met dezelfde school bezoekt. “Niemand was anders. Het enige wat anders was was jij. Niet dat je nou zo veel ouder was. Dat was het niet echt. Je was gewoon anders, meer niet. Deze keer had je een winterjas aan. Of het kind waarmee je de vorige keer samen in de rij had gelopen had de bof, en je liep nu met een ander kind samen. Of je had een invalster in plaats van juffrouw Aigletinger. Of je had net je ouders ontzettend ruzie horen maken op de badkamer. Of je was net op straat langs zo’n plas gekomen met van die regenbogen van olie erin. Ik bedoel dat je op de een of andere manier anders was – ik kan niet uitleggen wat ik bedoel. En zelfs als ik het kon weet ik niet of ik er zin in zou hebben.”

WAT KAN IK LEREN VAN DIT BOEK:

- Hoe ik de lezer direct kan aanspreken.

- Hoe een recalcitrant hoofdpersonage met een sarcastische toon toch sympathiek kan overkomen.

- Hoe ik overtuigend kan schrijven in spreektaal.

- Gebruik van terugkerende elementen die binding geven aan het verhaal.

- Gebruik van opsommingen die gedachten typeren.

MOOISTE ZIN(NEN): dat is ook meteen de laatste zin uit het boek: “Je moet nooit iemand iets vertellen. Als je dat doet begin je meteen iedereen te missen.”

Deze column “Schrijftips van Sabine” verscheen eerder op het Lebowski Blog.