Zoete woordjes

Karakterstudie

Wie geregeld het werk van één bepaalde auteur leest, loopt het gevaar gehersenspoeld te worden. Het is een dunne spoeling; een paar verregende fietstochtjes langs de Dr. Ebelsweg of zwemmiddagen in het Paterswoldsemeer zijn voldoende om de literaire invloed van u af te spoelen. Dat neemt niet weg dat u gedurende een halve dag, misschien zelfs een hele dag, onder invloed bent. Sterker nog, hoe langer de blootstelling aan het schrijven van een auteur, des te hardnekkiger de invloed: via de oogzenuwen dringt de lectuur door tot in ’s lezers karakter. Een paar voorbeelden.

Een vrouw bezoekt de opgravingen van het klooster Yesse. Zij heeft zich goed ingelezen; in haar schoudertasje zit een kladblok met aantekeningen over middeleeuwse pausen, kerkelijke symboliek, de investituurstrijd, Groningse vrijmetselaars, de Ark des Verbonds en de Reductie van Groningen. Met haar vakantiegeld heeft ze een reisje naar de abdij van Sankt Gallen geboekt, om een manuscript, de 21ste Codex Sangallensis, in te zien. Zij heeft Dan Brown gelezen.

Een man van pensioengerechtigde leeftijd weet het heel zeker: hij is zijn tijd ver vooruit. Zijn borstelige wenkbrauwen, kleine postuur en gewone kledij verbergen een grote, machtige alwetendheid. Zijn haviksogen registreren elke misstand, zijn uitingen zijn nietsontziend. Heldhaftig, ja met gevaar voor eigen reputatie, strijdt hij tegen Haagse dictaten, tegen de gewestelijke oligarchie en tegen een leven achter de geraniums. O, de hoge idealen van Zelfbeschikking en Democratie! Hij heeft Multatuli gelezen.

Op een terras op het Raadhuisplein zit een dame, 51 jaar jong. Het is bloedheet, maar de mevrouw is slim geweest en heeft aan weerszijden van haar glimmende gelaat een baantje vrijgelaten tussen alle foundation en rouge: een afvoerkanaal voor de overvloedige transpiratie. Als een paar hockeyers aan komen fietsen, komt de dame in actie. Ze richt zich op en... glimlacht. De heren fietsen voorbij, maar de dame is er zeker van dat een van hen even haar kant had opgekeken. O, wat heeft ze het nu warm! Ze zinkt weer neer, neemt een teug witte wijn en neemt een nieuwe pose aan. Zij heeft Heleen van Royen gelezen.

Een lerares op een middelbare school heeft haar dag niet. Dat komt door die nare examens: tot diep in de nacht is ze aan het nakijken. Nakijken! De gruwel! En de schuld ligt bij de jeugd. Dus als een groepje eersteklassers te laat de les inloopt, peinst de docente er niet over om hen binnen te laten. ‘Dat dacht ik niet, dames!’ Brieven van ouders (‘de kinderen konden er niets aan doen, ze mochten niet eerder weg bij gym’) werken averechts; ze verharden het hart van deze farao. En dat allemaal door dat stomme nakijkwerk in de avonduren. Zij heeft haar Goethe niet kunnen lezen.