Doopsgezinde dwaalgasten

Vorig jaar heb ik voor de zusterkring van de doopsgezinde gemeente te Haren een lezing gehouden. Bij de voorbereiding van die lezing ging het uiteraard over de vraag: waar moet het over gaan? Het liefst uiteraard iets over doopsgezind en Haren. Maar de historie van de doopsgezind kerk in Haren is nog niet zo oud. De kerk is duidelijk een kerk van de ‘import’ na 1900. Bovendien is de historie van het de doopsgezinde gemeente in Haren al voortreffelijk beschreven in het in 2008 verschenen boek van Fokke R. Fennema, ‘Zie naar ons...: 50 jaar Doopsgezind gemeenteleven in Haren’. Waren er dan eerder helemaal geen doopsgezinden in Haren? Bijna niet. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het bevolkingsoverzicht van de gemeente uit 1810. Van de 1807 inwoners waren er toen 11 mennoniet of mennist (de oude benamingen voor doopsgezinden). En die 11 mennisten woonden allemaal in Helpman. Doopsgezinden in Haren voor ca 1900 waren een grote uitzondering en zo ontstond de titel voor mijn lezing: ‘doopsgezinde dwaalgasten’.

Wie waren dan die dwaalgasten? Ik vond er bij de voorbereiding van de lezing zeven: de ‘mennist op de Hof te Hemmen’, Grietje Feitsma op Meerlust te Noordlaren, Jantje Mesdag aan de Oosterweg, Jacob David Vissering op Huize Welgelegen te Glimmen, Jacob Boeke docent aan de Landbouwhuishoudkundige School, Willem Stadt werkzaam bij de molen en Eppe Leenders op de boerderij Scharlakenhof. Achteraf had ik ook de Harense familie Pieters, eigenaar van de molen De Hoop in de 19e eeuw moeten noemen. Die familie werd in 1810 nog vermeld als Nederlands Hervormd, maar vanaf ca 1835 als ‘evangelisch doopsgezind’.

Over alle bovengenoemde personen valt een interessant verhaal te vertellen. Helaas kan ik ze niet allemaal tegelijk de revue laten passeren. Laat ik beginnen met de ‘mennist op de Hof te Hemmen’. Deze vermelding kwam ik voor het eerst tegen in het dagboek van de Harense schoolmeester en landbouwer Roeleff Sickens Swartwolt. Swartwolt schrijft in zijn dagboek uitvoerig over de veepest, die Nederland in de jaren 1744 tot 1756 zwaar trof en de veestapel decimeerde. Ook in Haren ging de epidemie van huis tot huis en verloren veel boeren een groot deel van hun vee, maar dan schrijft Swartwolt in juni 1745: “de mennist op de borg te Hemmen heeft de meeste over gehouden”. Op de borg te Hemmen (niet te verwarren met het huidige Huize Hemmen aan de Rijksstraatweg) woonde dus blijkbaar een mennist. Ik neem aan niet op de borg zelf, maar op de boerderij die bij de borg stond. De omschrijving van Swartwolt klinkt wel erg afstandelijk. Hij noemde bijna iedereen bij de naam, maar voor de mennist te Hemmen was dat niet nodig. Die hoorde er blijkbaar niet bij en behoefde dus ook niet bij de naam genoemd te worden. Overigens zal die grote sociale afstand in combinatie met de afgelegen ligging voor de mennist de redding zijn geweest. De boeren in Haren liepen bij elkaar in en uit en zorgden zo zonder het te beseffen voor een snelle verspreiding van de ziekte. Daar had de mennist geen last van.

Na de lezing vond ik nog een tweede vermelding. Bij een begrafenis was het vroeger gebruikelijk, dat een gift werd gegeven voor de armen. Deze gift werd ‘in het bekken’ (een grote schaal) gedaan. De boekhoudend diaken vermeldde de inkomst dan vervolgens in zijn kasboek. Dat kasboek van de diaconie te Haren is gelukkig bewaard gebleven en zo kun je via de gift bij een begrafenis een groot aantal overlijdens in Haren vanaf 31 mei 1737 tot de invoering van de burgerlijke stand in 1811 achterhalen. Op 23 november 1737 schreef de boekhoudend diaken als ontvangst op: “1 gulden, 3 stuivers, 4 duiten bij de begrafenis van een kind van de mennist op de Hof te Hemmen”. Weer geen naam. Die naam vond ik uiteindelijk via de zoon van de mennist, Willem Hansen Dijkhuis. Bij zijn huwelijk in 1864 wordt vermeld, dat Willem Hansen Dijkhuis geboren is te Hemmen. Zijn huwelijk wordt voltrokken door Harm Scholtens ‘leraar der mennonieten te Groningen’. Ook zijn moeder wordt vermeld: Trientje Siewerts, weduwe van Hans Asbacher. En zo komen we dus ook aan de naam van de mennist op de Hof te Hemmen. Hij heet Hans Asbacher.

Hans Asbacher brengt ons direct bij een interessant stuk van de doopsgezinde geschiedschrijving. Hans is namelijk geboren in 1688 te Eggiwil nabij Bern in Zwitserland. In Zwitserland ontstaat in 1693 een scheuring in de doopsgezinde gemeenschap. Een groep onder leiding van Jakob Amman splitst zich af. Zij zijn zeer streng gelovig en worden naar hun voorman Amischen (in Amerika later Amish) genoemd. Zwitserland wil deze groep mensen kwijt en laat ze deporteren naar elders. Grote groepen komen terecht in Amerika en leven daar nog steeds volgens de strikte regels van Jakob Amman. De doopsgezinde gemeenschap in Nederland zamelt vervolgens grote sommen geld in om de geloofsgenoten naar Nederland te halen. In 1711 komen op vier boten in totaal 340 Zwitsers naar Nederland. Op de boot de ‘Nieuwenburg’ zijn dat Matthias Asbacher en zijn vrouw Magdalena Wichterman met een groot aantal kinderen. Zij vestigen zich in Hoogkerk. Van daaruit vestigt zoon Hans zich eerst als koemelker in de Boteringestraat te Groningen en later dus in Haren. In Haren zal hij in zijn traditionele zwarte kledij, met hoed en lange baard een vreemde verschijning zijn geweest. Hans zijn zoon Willem Hansen Dijkhuis overlijdt in Haren in 1801. Hij is drie keer getrouwd. Twee keer in de doopsgezinde kerk en de laatste keer in de Martinikerk. Dat is illustratief voor het snelle assimilatieproces van de Zwitsers in ons land. Na twee generaties waren ze niet meer herkenbaar als aparte bevolkingsgroep. Hoe anders ging dat in Amerika!

Bij mijn artikel over de Hof te Hemmen in het Harener Weekblad van 22 maart 2017 heb ik een afbeelding van de Hof te Hemmen met bijgebouwen gepubliceerd. Daarom deze keer een luchtfoto waarop de locatie nabij de A28 nog goed te zien is. U ziet links de A28 en het Noord-Willemskanaal, rechts de Rijksstraatweg en rechtsonder de Molenbuurt. In het midden van de foto het terrein waarop de Hof te Hemmen stond met direct ten zuiden daarvan Huize Warmolts. Beide huizen met een ook nu nog duidelijk herkenbare laan naar de straatweg. Bij beide huizen hoorde een boerderij. En die andere doopsgezinde dwaalgasten? Daar kom ik later op terug.

In de rubriek Harener Historie verschijnt om de week een artikel van de hand van Eppo van Koldam. Van Koldam voelt zich betrokken bij de geschiedenis van de gemeente Haren.