Berichten uit de Biotoop

HAREN

Vogelen

Een voor een bekijk ik iedereen aan tafel. De meesten heb ik nog nooit gezien en ik woon toch al bijna drie jaar in De Biotoop. De woongroep bestaat uit twaalf mensen en een paar logees die geregeld aanwaaien. Nu zijn er ook vrienden op bezoek. Elke avond eet de vaste kern samen, wast samen af en doet vaak nog een spelletje. Iedereen is behulpzaam en sociaal, ik ben opgenomen in hun midden waardoor ik me vereerd voel. Zo gaat dat, een groep ontleent zijn bestaansrecht aan het feit dat niet iedereen erbij hoort en als je dan als buitenstaander toch wordt geaccepteerd, geeft dat een fijn gevoel.

Ik kan me voorstellen dat deze mensen genoeg hebben aan elkaar. Binnen De Biotoop vormen ze een aparte, nogal gesloten gemeenschap. Ze bewonen het alleroudste – en sfeervolste – gebouw uit 1950, de mysterieuze vleugel E die niet vrij toegankelijk is voor de andere Biotoopbewoners.

We dineren in de bijzonder mooie binnentuin waarin de nakomelingen van de stekelbaarsjes die er ooit werden bestudeerd nog in de betonnen kweekbakken rondzwemmen.

Speciaal voor mij is er vegetarisch gekookt. Ik geniet van de gevulde maaltijdsalade en glimlach naar mijn tafelgenoten. Eindelijk is het me gelukt om in vleugel E te infiltreren.

Lenze, een man met een enorme bos grijze krullen, is de oprichter van de woongroep, en de oprichter van Carex, onze tijdelijke volkshuisvester. Lenze is ooit begonnen met een studentengroep in de jaren zeventig. Ze woonden in een pand in de binnenstad. Hun huisbaas deed niets aan het achterstallig onderhoud. Op een dag zeiden de studenten: ‘We betalen geen huur meer, we knappen het zelf wel op.’ Deze alternatieve kraakactie bleek een groot succes. Er kwamen meer panden waarvan de eigenaren het prettig vonden als die netjes werden bewoond. Lenze richtte Carex op en bemiddelde. De woongroep gaf hij de naam “Bonobo”, genoemd naar de apensoort die in groepen rondtrekt van de ene plaats naar de andere. Dat de voornaamste bezigheden van deze primaten bestaan uit slapen, eten en vrijen sprak hem ook wel aan.

De woongroep verhuisde verschillende keren en de leden wisselden in de loop der jaren. Van de oorspronkelijke woongroep die ooit startte zijn alleen hijzelf en Michel nog over, vertelt hij.

Vanwege het prachtige weer eet de woongroep dit keer buiten en niet in de voormalige snijzaal. In die zaal had ik graag meegegeten. In de tijd van het biologisch centrum werden daar neushoorns en andere exotische dieren ontleed nadat ze waren overleden in een dierentuin. Er zit een luik in de vloer waardoorheen de beesten omhoog werden gehesen via een haak aan het plafond. In het midden staat nog altijd de snijtafel en er rond omheen de lange, hoefijzervormige tafel voor de studenten. Nu is dat de eetkamertafel.

‘De vogels die ik bestudeer, kwamen halverwege de vorige eeuw nog maar op één eiland van de Seychellen voor. Ze hadden best naar een volgend eiland kunnen vliegen, maar ze deden het niet. Daardoor werd het er overbevolkt. Er was, en is, geen ruimte voor nakomelingen om zich voort te planten.’ Naast me zit Frank, hij is bioloog, zoals vrijwel iedereen om mij heen. Bijna allemaal hebben ze ook gestudeerd op de plaats waar ze nu wonen. Franks blik is ernstig, hij strijkt over zijn rossige baard.

‘Die soort is volkomen inflexibel,’ reageert Janne, een sterk type met blauwe ogen en donker haar. Ze zit tegenover me en heeft zojuist voor de hele groep gekookt. ‘Biologen hebben vogelparen naar de dichtstbijzijnde eilanden overgebracht – een kwartiertje vliegen voor die vogels – en ze doen het daar prima! Wat houdt ze op dat ene eiland?’

Frank geeft de schaal met salade door. ‘Het moet evolutionair nut voor ze hebben. Dat is juist zo interessant. De jongen uit de eerste nesten helpen de jongen mee opvoeden uit de volgende nesten. De jongere vogels kijken de kunst van het opvoeden af en op een dag kunnen ze misschien het territorium overnemen. Deze vogels hebben zich ontwikkeld tot een zeer coöperatieve soort.’

‘Hoe zit dat met jullie woongroep?’ vraag ik. ‘Voeden jullie je kinderen ook samen op?’

‘De meeste stellen die kinderen kregen zijn uiteindelijk vertrokken,’ zegt Frank.

‘Maar de leeftijdsverschillen van de leden binnen onze groep zijn groot,’ vertelt Janne. ‘Het verschil met een gezin is alleen dat er geen gezinshiërarchie is. Zowel de jongste als de oudste zijn bij ons gelijkwaardige gesprekspartners. ’

De vogels die Janne onderzoekt staan qua gedrag lijnrecht tegenover de soort van Frank. De Bonte Vliegenvanger nestelt in Noord Europa, in landen met een gematigd klimaat waar duidelijke seizoenen zijn, maar overwintert in Afrika. Janne is net terug van veldwerk in Ivoorkust. ‘Zover wij weten vliegen ze op eigen houtje heen en weer, dus niet in groepen zoals ganzen. Ze zoeken pas een partner na aankomst. De mannetjes komen het eerste aan. Die bouwen dan een nest en gaan hard zitten zingen tegen de tijd dat de vrouwtjes aankomen.’

‘Hoe ging dat toen jullie je intrek namen in vleugel E? Zijn daar ook het eerst de mannetjes ingetrokken?’ vraag ik.

Michel, een wat oudere man aan het hoofd van de tafel knikt grijnzend. ‘Ja, zo ongeveer wel, Lenze en ik waren er het eerst,’ zegt hij.

Lees volgende week “Schrijftips van Sabine” in het Harener Weekblad.

“Zien Horen Zwijgen”, de trilogie van Sabine van den Berg, werd genomineerd voor Het beste Groninger boek.

Eerdere afleveringen van De Biotoopfeuilleton staan op www.Sabinevandenberg.com

Tekst & illustratie: Sabine van den Berg