Zoete woordjes

’t Woeste Hoekje

Kent u de dichter Hendrik de Vries? Hij woonde lange tijd in Haren, had een prachtig handschrift en was lid van De Ploeg. Zijn poëzie is gevarieerd en lijkt wat op de gedichten van Slauerhoff. Tijdens mijn studie Nederlands is geen aandacht aan De Vries besteed, maar omdat Louis Couperus mij ’s lands grootste literator toeschijnt, en omdat ik een paar jaar geleden een gesigneerd exemplaar van Henri van Boovens biografie van Couperus heb gekocht, en omdat ik sindsdien ook Henri van Booven bewonder, en omdat ik daarom recentelijk een bundeltje heb gelezen met brieven tussen deze Van Booven en Hendrik de Vries, weet ik nu iets meer over laatstgenoemde. Zo las ik dat De Vries in ’t Woeste Hoekje woonde, een huis waarvan ik me vaag kon herinneren dat het aan de Onnerweg staat.

Op een woensdagochtend besloot ik dat het tijd was voor een literaire excursie: ik moest het Woeste Hoekje zien! Ik maakte daarom een fijn fietstochtje naar de Onnerweg. Nu moet u weten dat die weg thans (voor een deel) is opengebroken, dus pas beoosten de spoorlijn had ik weer volledige aandacht voor de gevels. Op de plek waar ik meende dat het huis zou staan, stond een witgeschilderd pand met een nette voortuin. Nergens een buste, nergens een bord. Was het huis er niet meer? Toen ik terugfietste door de Spoorlaan (een mij onbekend straatje), en er juist op dat moment een trein passeerde, die de huizen deed trillen, de kauwen deed opvliegen en ongetwijfeld de laatste woorden van een op dat moment overlijdende Spoorlaanbewoner volstrekt onverstaanbaar maakte, werd het mij teveel. Treurnis overmande mij, en in de supermarkt bedacht ik al een slot voor deze column: ‘Gedane zaken nemen geen keer: het Woeste Hoekje is niet meer.’

Maar ik moest het zeker weten. Op een donderdagmiddag kon u mij dus wederom op de Onnerweg zien fietsen. Bijna had ik het spoor bereikt, toen mijn ogen tussen weelderig struweel het gezochte pand ontwaarden. Het bleek dus bewesten de spoorlijn te staan! Fier prijkten de witte letters op de gevel en de tuin was keurig woest. Dat was alles wat ik van het huis zag; een prijzenswaardig respect voor de persoonlijke levenssfeer weerhield mij ervan het huis nader te bestuderen. Weer fietste ik door de Spoorlaan. Er kwam mij geen trein tegemoet. Het Woeste Hoekje, dacht ik, tja, oké. En een gedicht schoot mij te binnen. (Dit is gejokt, ik heb de regelen moeten opzoeken, maar ach! alles voor een goed verhaal.) Het vers stamt uit De Vries’ Copla’s (1935)