De avonturen van een vaatje boter | Harener Historie

HAREN - In de rubriek Harener Historie verschijnt om de week een artikel van de hand van Eppo van Koldam. Van Koldam voelt zich betrokken bij de geschiedenis van de gemeente Haren.

Noordlaren

Soms kun je ook als vaatje boter heel wat mee maken. Mijn verhaal begint in de eerste week van oktober 1822 bij de familie Assies te Noordlaren op het adres B11 (nu Lageweg 51, Noordlaren). Boerin Hendrikje Assies-Hoiting heeft daar boter gekarnd. Vervolgens heeft ze die boter in een vaatje gedaan. Geslagen heette dat in het vakjargon van 1822. Zo’n vaatje boter kan mooi wat opbrengen en boer Willem Assies geeft het vaatje daarom op 11 oktober 1822 mee aan de boderijder Jan Leving uit Zuidlaren, die op zijn route naar de stad Groningen ook Noordlaren aan doet.

Boterhuis

Nu moet we niet denken, dat een vaatje boter in Groningen zo maar te verkopen is. Burgemeester en wethouders van de stad hebben voor de verkoop van boter op 25 juni 1818 het ‘Reglement op het Boterhuis in Groningen’ vastgesteld. Dit reglement kent maar liefst 38 artikelen. Belangrijkste bepaling is, dat in Groningen slechts boter mag worden verhandeld in het Stads Boterhuis, waartoe het benedenste gedeelte van de stadshal is aangewezen. De boter wordt daar bij opbod verkocht. Bode Jan Leving levert het vaatje keurig af op het boterhuis. Hij zal zich daarbij stellig ook gehouden hebben aan het in artikel 14 van het reglement opgenomen verkeerscirculatieplan: “de aanvoer zal geschieden aan de marktzijde en de afvoer langs het Soepenstraatje naar de Heerestraat, bij boete van 60 cents”. Normaal is het zo, dat de bode ook de verkoop regelt en dan het ontvangen geld mee terug neemt. Deze keer loopt dat wat anders, omdat Willem Assies zelf ook in de stad is. Assies vindt het geboden bedrag op zijn vaatje te laag en daarom blijft het in het boterhuis staan om op de volgende marktdag te worden verkocht.

Gruwelijke ontdekking

Dan doen de medewerkers van het boterhuis een gruwelijke ontdekking: het vaatje is niet geijkt overeenkomstig de door Provinciale Staten van Groningen op 21 juli 1816 vastgestelde voorschriften. Uit zuinigheid heeft Willem Assies waarschijnlijk een oud vaatje gebruikt. De schout wordt geïnformeerd en de onderschout spoedt zich, geassisteerd door twee agenten, naar het boterhuis, alwaar het vaatje inderdaad wordt aangetroffen. De onderschout neemt het vaatje in beslag en brengt het naar het bureau van de commissaris van politie.

Het politieonderzoek

Een week later rijdt Jan Leving weer naar de stad. Hij wordt dan op het bureau van de commissaris van politie ontboden en geconfronteerd met het vaatje boter, dat hij aan de daarop aangebrachte brandmerken herkent als het vaatje van Willem Assies. Hij erkent, dat hij dit vaatje in opdracht van Willem Assies naar het boterhuis heeft gebracht. Alle aanleiding voor de commissaris van politie om ook Willem Assies te horen. Dat gebeurt weer een week later op 25 oktober 1822. Willem Assies verklaart conform de waarheid. Hiermee heeft de politiecommissaris zijn onderzoek afgesloten. Hij stuurt het vaatje nog diezelfde dag met de processen verbaal van de twee verhoren naar burgemeester Jacobus van Trojen van Haren. Uiteraard doet hij dat met het nodige vakjargon: “ik heb de eer u ter fine van poursuite de corpus delicti bij deze toe te zenden met de stukken daartoe betrekkelijk tot welke ik de eer heb mij te refereren”.

De burgemeester van Haren

Nu zit de burgemeester in Haren op het gemeentehuis in de herberg De Jagtwagen met het vaatje en met de taak aan de procedure het juiste vervolg (de ‘poursuite’) te geven. Van Trojen vindt dat maar lastig. Hij wil geen fouten maken en legt de zaak eerst maar eens voor aan de vrederegter (kantonrechter) te Hoogezand. Op 2 november 1822 krijgt hij van de griffier van de rechtbank een reactie op de toegezonden stukken “betrekkelijk het arresteren van een vat met boter”. De griffier heeft de zaak met de vrederegter kort gesloten. Er is geen sprake van een strafbaar feit. De burgemeester moet gewoon uitvoering geven aan het bepaalde in artikel 16 van de provinciale regeling. Dit betekent, dat het vaatje verbeurd blijft en dat het terug moet naar Noordlaren om daar ten voordele van de armen verdeeld te worden. Mocht de burgemeester het allemaal nog niet duidelijk zijn, dan wil de griffier het best nog even toelichten. Hij is nademiddags toch in Haren voor een verkoping in de Jagtwagen.

Terug in Noordlaren

En zo komt het vaatje boter na ruim een maand weer terug in Noordlaren om daar door het armenbestuur (de diakonie van de Hervormde Kerk) onder de armen verdeeld te worden. En wie mag dat doen en daarvan rapport opmaken? U voelt hem al aankomen. De boekhoudend diaken Willem Assies!

Foto

Bij dit artikel een foto van de boerderij Lageweg 51 te Noordlaren. Niet de boerderij, waarin Willem Assies heeft gewoond, want die is op 7 augustus 1846 tot de grond toe afgebrand.