Zomer | Zoete woordjes

Bij de Hoornseplas staat een houten bankje. Al heel lang, al zolang als dat bankje er staat, komt er in juni iemand op zitten. Soms gebeurt dat reeds in mei; dat valt niet te zeggen. Diegene blijft daar dan maanden zitten, totdat het hem of haar te koud en te winderig wordt. In het najaar is het bankje leeg.

Wie dat is? Dat verschilt. Soms is het een prachtige vrouw, in een overdadige jurk met groene en blauwe vlekken, een vrouw met een schalkse oogopslag en een groot repertoire aan liedjes over de regen, bijvoorbeeld over zwanen in een wolkenbreuk. Soms is het een leuke blonde jongen, met ijsvogelblauwe ogen en een schaterlach – iedereen wil naast hem zitten, dieren in de wolken zien, ’s avonds luisteren naar de krekels in het gras. Soms is het een mevrouw in een grijswitte jas, die niet zo hartelijk is, en die ons doet beseffen dat we nog boodschappen moeten doen, de ramen moeten lappen, naar de kapper moeten. Een zangeres, een mooie jongen, een moetmevrouw.

Maar vorig jaar kwam op dat bankje een oude vrouw zitten, met losse kleding en een lieve, droevige glimlach. Misschien komt zij dit jaar wel weer. Altijd schijnt bij haar de zon, altijd is het warm. En we zwemmen in de Hoornseplas en er is nog geen blauwalg en we kunnen buiten eten en alles is zo fijn. Geen regen in een week, een maand, en nog een maand. We zijn verwonderd: wat duurt de zonneweelde heerlijk lang. En de oude vrouw blijft zitten en vriendelijk glimlachen, die mevrouw van woestijnzand en zachte ritmes op gitaren. Het groen gaat heen, het gras kleurt goud, en wij zitten buiten en zwemmen soms en zijn best tevreden… En de bomen verliezen hun schors en de mensen hun manieren, en de vrouw zingt met haar lage oudevrouwenstem van tempo doeloe. Wij spreken ook van vroeger, van zwanen, krekels, ramen lappen, maar we doen het stilletjes, want we mogen niet klagen. Langzaam worden we oud, en de plas wordt heel ondiep. De oogst mislukt, een brand breekt uit, wie zijn tuin besproeit krijgt straf. Zweet en slapeloosheid en lamlendigheid en dorst.

In het najaar staat de vrouw op, en ze sjokt weemoedig weg. De herfst ziet dat zijn werk al gedaan is in de zomer.

Jaap Matthijs Jansen