Bedrijfsovername in de familie | column Theo van der Werff

Afgelopen week sprak ik een neef uit België en later op de dag een studievriend met wie ik 4 jaar lang drie keer per week het avond-atheneum gedaan heb.

Wat me is bijgebleven van die tijd is dat wij in de zomervakantie van de school na ons werk 1 kilometer gingen zwemmen in de Papiermolen. We vonden dat we daarna zeker een biertje of meer verdiend hadden en die dronken wij op het terras van het Stadsparkpaviljoen, nu Ni Hao.

Met die neef en die studievriend had ik het er toevallig over dat in onze jeugd, wij zijn geboren in 1950 en 1951, het heel gewoon was dat, als je ouders een florerend bedrijf hadden, er vanuit werd gegaan dat je daar in zou stappen. De ouders van de studievriend hadden een goed lopende supermarkt met een mooie bakkerij. De neef zijn vader had meerdere drukkerijen in Zuid-Limburg en mijn vader was mede-eigenaar van een keten van manufactuur/woninginrichtingwinkels in heel Nederland .

In die tijd kwamen kinderen die geen uitgesproken andere carrière voor ogen hadden in de zaak. Wie arts wilde worden ging studeren en als je het werk van je vader vervelend vond ging je ook wat anders doen, maar dat werd je vaak niet in dank afgenomen. Dus mijn neef en ik gingen in de familiebedrijven werken. Voor de neef is dat geen gemakkelijke tijd geweest, hij was niet de ondernemer die zijn vader was en ging kleinschalig drukken maar heeft ook een faillissement meegemaakt en is voorzichtig doorgestart. Door het lot ben ik in de accountancy terecht gekomen en heb een goede boterham kunnen verdienen. Dat was anders geweest als ik wel in de zaak gestapt was, want het bedrijf heeft zijn laatste vestiging gesloten in 2000.

Mijn studievriend heeft van dit alles geen last gehad want hij is altijd verre van de bedrijfsactiviteiten gebleven, is bij derden gaan werken en heeft ook nog zijn lief gevonden op het werk. 

Gelukkig denken de ondernemers (30 plus) van nu anders over de kwestie van de bedrijfsopvolging. Wij hebben vier ondernemers als klant die het zeer goed doen, nu al over cashen denken, niet bezig zijn om een werkplek voor hun nu nog zeer jonge kinderen te creëren of nadenken na over een bedrijf dat over 50 jaar nog moet bestaan. Dit legt geen druk op de jeugd en dat is perfect. En als de kinderen wel willen ondernemen, hebben ze ouders met geld en kennis van zaken. Dus kunnen ze de jeugd helpen om hun eigen dromen waar te maken.

Theo van der Werff is Groninger ondernemer en accountant