Middeleeuwen | Harener Historie

Onlangs las ik het boek ‘De ontdekking van de middeleeuwen, geschiedenis van een illusie’ van Peter Raedts (Amsterdam, 2011).

Geen eenvoudig boek, maar wel erg intrigerend. Raedts maakt duidelijk, dat wij in veel opzichten behoefte hebben aan een verankering van het heden in het verleden en dat dat er toe heeft geleid, dat voor veel historici hun blik op het verleden werd bepaald door hun verwachtingen voor de toekomst. Raedts duidt ze aan als 'Naar achteren kijkende profeten'. Dit geldt in het bijzonder hoe vanaf circa1800 werd aangekeken tegen de middeleeuwen.

Het beeld van de middeleeuwen werd lange tijd – en in veel opzichten geldt dat nog steeds –bepaald door de stelling van de humanisten, dat na de val van Rome de mensheid duizend jaar lang in het duister heeft gedwaald. De mythe van de middeleeuwen als niet-cultuur. Pas toen de humanisten de lamp van de klassieke beschaving weer hadden ontstoken kon de wording van de Europese cultuur een vervolg krijgen. Deze renaissance van de Romeinse en Griekse cultuur paste in een Europa, met een Pan-Europese identiteit, waarin geen behoefte was aan het onderscheiden van afzonderlijke nationale staten.

Met de opkomst van het nationalisme na circa1800 werd dat anders. Uit vele kleine vorstendommen werden staten als Duitsland en Italië gevormd. En ook in staten als Frankrijk en Engeland ontstonden duidelijke nationalistische tendensen. Maar hoe kom je nu vanuit een lappendeken van afzonderlijke staatjes tot bijvoorbeeld een Duitse identiteit?

Dan moet je niet terug grijpen op de klassieken, want dan onderscheid je je niet van andere staten. Men zocht en vond – maar dan wel als de boven beschreven 'naar achteren kijkende profeten' – de grondslag voor het nationalisme in de middeleeuwen. Daarin lag de basis voor de echtheid en de eigenheid van de nationale staat. Daar lag de identiteit van de Duitser, Engelsman of Fransman.

Nederlandse identiteit

Het bovenstaande geldt voor alle staten in Europa, behalve één: Nederland. Onze Nederlandse identiteit is niet gegrondvest op de middeleeuwen. Onder invloed van de reformatie zijn die middeleeuwen in ons land afgedaan als een poel des verderfs, waarmee we niet geïdentificeerd willen worden.

De opstand tegen Spanje en de Gouden Eeuw zijn de hoogtepunten van de Nederlandse geschiedenis. Daar ligt de geboorte van de Nederlandse staat. En als we dan toch een basis in het verleden zoeken, dan grijpen we liever – over de middeleeuwen heen - terug op de Bataven. Deze Germaanse stam werd al door de Romeinse schrijver Tacitus geroemd om zijn moed en vrijheidszin. Hugo de Groot slaagde er zelfs in aan te tonen, dat niet alleen het Nederlandse volk, maar ook het Nederlandse staatsbestel terugging tot de Bataven.

De Nederlandse houding ten opzichte van de middeleeuwen leidde er toe, dat er in ons land op geen enkele manier is geprobeerd om te zoeken naar continuïteit in de historische ontwikkeling. De Nederlandse benadering is zwart-wit. Onze geschiedenis begint rond 1570-1600. Daarvoor is er niets, behalve wat onnozele verhalen over ridders, over bijgeloof en over van rijkdom uitpuilende kloosters.

In een toch ook protestants land als Engeland ligt dat anders, daar slaagde de Oxford Movement er in te bewerkstelligen, dat de reformatie niet langer werd geïnterpreteerd als breuk met de middeleeuwen en een nieuw begin, maar als bevestiging van tendensen, die in de Engelse kerk al eeuwen aan het werk geweest waren.

Kerk van Noordlaren

'Wat heeft dat alles nu met Haren te maken', zult u zeggen. Wel, ik ervaar de door Raedts beschreven breuk in het denken over onze historische ontwikkeling nergens duidelijker als in de kerk van Noordlaren. Daar in het koor van de kerk hangen twee borden met de pastores, die de kerk hebben gediend. Het oudste bord ziet u op de foto.

We weten, dat de kerk in Noordlaren dateert van circa1200. Eeuwenlang is de dorpsbevolking hier samen gekomen en heeft men hier de eredienst gevierd. Een groot aantal pastores zullen hun best hebben gedaan de bevolking te dienen en op het rechte spoor te houden. Maar volgens het bord telt dat niet. We beginnen pas na de reformatie in 1595 bij Henricus Petri. Hij was de eerste. In een Engelse kerk zul je zo’n scherpe cesuur niet zien.

We kunnen ons ook nog afvragen of die scherpe scheidslijn van 1595 voor Noordlaren en voor onze gehele regio wel op zijn plaats is. Dominee R.P. Oosterdijk heeft tijdens de open monumentendag 2017 in de Harener dorpskerk een voordracht gehouden over het gebruik van de kerk in de eerste decennia na de reformatie. Het gaat dan bijvoorbeeld over het gebruik van het koor van de kerk en over de wijze van viering van het heilig avondmaal. Volgens Oosterdijk sloot dat gebruik in veel opzichten aan bij het gebruik voor de reformatie. En was er dus in veel opzichten sprake van continuïteit. Pas onder invloed van landelijke instructies (synodes) zijn na verloop van tijd de gebruiken aangepast.

Klooster Yesse

Kijken we dan in Haren nergens over het jaar 1595 heen? Zeker wel. Als we het over klooster Yesse hebben moeten we wel, want 1595 betekende juist ook het einde van het kloosterwezen in onze provincie. De kloostergeschiedenis is daarom in onze regio bij uitstek laat-middeleeuwse geschiedenis.

Maar ook hier liggen de grenzen waarschijnlijk minder scherp, dan we gewend zijn te denken. Bart Flikkema heeft vorig jaar in de reeks Esser miniatuurtjes een boekje geschreven over de voorlaatste abdis van het klooster, Hille Coenders. De ondertitel van dit boekje luidt: 'Een verwarrend eind aan het oude geloof in het klooster Yesse te Essen'. En dat is niet voor niets. Hoe sterk stond Hille nog in de katholieke traditie? Familieleden van Hille, zoals haar neefje Berend Coenders van Helpen en haar achterneef Derck Coenders van Helpen, waren pleitbezorgers van de reformatie en moesten in 1567 naar Emden vluchten.

Van Hille is bekend, dat ze in 1576 een brief schreef aan de gereformeerde predikant Menso Alting, die toen eveneens als vluchteling in Emmen verbleef. Flikkema ziet hierin een aanwijzing voor het protestantse karakter van de vrouwenabdij in haar nadagen. Ook hier lagen de grenzen dus niet zo scherp als de landelijke door Hollandse historici gedomineerde geschiedschrijving ons wil doen geloven.