Groninger Vismarkt decor ploegentijdrit Energiewacht Tour

Groningen

De zesde editie van de Energiewacht Tour, een 5-daagse wielerkoers voor vrouwen, start op de Vismarkt in Groningen. Dat gebeurt op woensdagavond 6 april.

De Energiewacht Tour wordt afgetrapt met een ploegentijdrit. De Vismarkt wordt derhalve 1 avond het domein van de beste vrouwenploegen van de wereld. In totaal zullen 25 elite- en 25 juniorenteams in actie komen in de ploegentijdrit over 11,3 kilometer met start en finish op de Vismarkt. Onder de deelnemers de absolute top van het vrouwenwielrennen. Naar schatting 40 rensters zullen later in het seizoen ook hun opwachting maken op de Olympische Spelen in Rio. Voor organisatrice Daniëlle Bekkering is de ploegentijdrit in Stad een langgekoesterde wens: "Met start en finish op de Vismarkt zit de koers nu echt in het hart van de stad en provincie Groningen en daar zijn we trots op."

Route

De rensters vertrekken in de ploegentijdrit vanuit Groningen naar Haren om vervolgens in de provinciehoofdstad terug te keren. Na de start op de Vismarkt voor de Korenbeurs volgen voor de vrouwentoppers passages op de Folkingestraat, Ubbo Emiussingel, Hereplein, Hereweg/ Verlengde Hereweg/ Rijksstraatweg. Na een draai op de rotonde in Haren keren ze via Rijksstraatweg/ Verlengde Hereweg/ Hereweg – en uiteindelijk dwars door de Herestraat – terug bij de finish op de Vismarkt.

Topevenement

De ploegen starten om de 2 minuten. De eerste elite-ploeg vertrekt om 19.00 uur. Een uur later is de laatste ploeg binnen. Om 21.20 uur zijn ook alle teams met junior-vrouwen weer terug op de Vismarkt. Het publiek ziet constant sportieve actie en bekijkt de huldiging van de winnaars en eerste dragers van de truien. Ondertussen is er ook een randprogramma voor de jeugd met fietsparcours, zweefmolen en springkussens. Organisator Daniëlle Lissenberg-Bekkering kijkt er naar uit. “Samen met de gemeente, politie en brandweergaan we nu zo snel mogelijk de vergunningen in orde maken. Het wordt een topevenement voor Groningen.”

Auteur

Marc Jansen